Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klokhuis - (zaadhuisje in appel of peer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klokhuis zn. ‘zaadhuisje in appel of peer’
Mnl. clochuus ‘klokkentoren’ in Een clochuus ende ene clocke daer inne [1300-25; MNW-R]; vnnl. ‘zaadhuisje van een appel’ in Men sal die que-appelen scellen ende snijen die closhuijsen uuijt ‘men moet de kwee-appels schillen en de klokhuizen eruitsnijden’ [1500-25; Jansen/Van Winter].
Samenstelling van → klok in de betekenis ‘kegelvormige bel’ en → huis in de betekenis ‘omhulsel, kap’, zoals dat voorkomt in bijv. zaadhuisje, en zie ook → bakkes.
Oorspr. was dit alleen de benaming voor de klokkentoren. Het zaadhuis van een appel of peer doet denken aan de vorm van een klokkentoren, waarin de bellen zichtbaar zijn door openingen in de muur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klokhuis* [zaadhuisje van appels en peren] {clockhuys 1552} op grond van vormovereenkomst naar middelnederlands clochuus, clochuys [klokkentoren] {1429} van klok + huis.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

klokhuis

Een klokhuis is een gebouw, meestal een toren, waarin klokken hangen die bij bepaalde gelegenheden geluid worden. Haarlem kent nog het Klokhuisplein. Figuurlijk wordt het woord gebruikt voor het geheel van hokjes of vakjes in het hart van peer of appel, waarin de pitten zitten als de klokken in het klokhuis. Huygens spreekt ergens van babbelaarsters wier mond hij een klokhuis noemt met de tong als klok. Ook de ziel van de mens wordt wel eens het klokhuis genoemd. Vandaar de zegswijze: iemand een pak op z’n klokhuis geven, zoals wij ook zeggen: iemand op zijn ziel geven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klokhuis znw. o., sedert Kiliaen, die terecht opmerkt ‘q.d. campanile, intra quod sonant semina et nuclei’, vgl. mnl. clochuus ‘klokketoren’ en oostfri. klokhǖske en belhǖske.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klokhuis znw. o., sedert Kil. Mnl. wel al cloc-huus o. “klokketoren”. Kil.’s etymologie: “q.d. campanile, intra quod sonant semina et nuclei” is juist. Oostfri. komt naast klokhü̂ske ook belhüske voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klokhuis* zaadhuisje van appels en peren 1500-1525 [Jansen/Van Winter, Keuken in late ME]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut