Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klok - (grote kegelvormige bel; uurwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

klok zn. ‘grote kegelvormige bel; uurwerk’
Mnl. clocke ‘hangend instrument tot het voortbrengen van geluid, grote kegelvormige bel’ in so salmen de clocke luden ‘dan zal men de klok luiden’ [1237; VMNW], de clocke slaed ‘de bel wordt geluid’ [1254; VMNW]; vnnl. clocken te stellen ‘het uurwerk in de klokkentoren te regelen’ [1514; MNW]; nnl. by na ieder huis [is] van een kleen klokje, of uurwerk, voorzien [1726; WNT].
In de periode van de Germaanse kerstening door Ierse monniken (7e tot 9e eeuw) ontleend aan Oudiers clocc ‘bel’. Wrsch. is dat oorspr. een klanknabootsend woord.
Evenzo ontleend zijn: mnd. klocke; ohd. glocka [ca. 800; Kluge21] (nhd. Glocke); ofri. klokke (nfri. klok); oe. clucge [ca. 890; OED] (zeldzaam, naast me. clock ‘uurwerk’ [1371; OED] (ne. clock), dat aan het Middelnederlands is ontleend); on. klokka (maar nzw. klocka is ontleend aan het mnd.). Buiten het Germaanse taalgebied reeds middeleeuws Latijn clocca [550; TLF] en Frans cloche ‘bel’ [1100-50; TLF].
Bij Oudiers clocc horen: Welsh cloch, Cornish cloch, Bretons cloc'h; < Proto-Keltisch *klokko- ‘bel’. Verdere herkomst onbekend.
De oorspr. betekenis is ‘bel’, hangend in bijv. torens. Het luiden van zo'n bel diende als oproep, aankondiging, waarschuwing e.d. aan het volk. Een torenklok was vaak verbonden met een uurwerk. Alleen in het Nederlands leidde dit tot een betekenisuitbreiding van het woord klok naar ‘uurwerk in een torenklok’ en later nog algemener ‘uurwerk van welke aard dan ook’. Vlaamse uurwerkmakers brachten het woord in deze betekenis naar andere landen.
Lit.: Van der Sijs 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klok [bel, uurwerk] {cloc(ke) [bel, uurwerk] 1237} evenals middeleeuws latijn clocca, glocca [klok, bel] < oudiers clocc, vgl. welsh cloch; klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klok 2 znw. v. ‘bel, uurwerk’, mnl. clocke v. zelden m., mnd. klocke, ofri. klokke, oe. clugga (ne. clock), on. klokka, klukka; daarentegen ohd. glocka, glogga (nhd. glocke). — Het woord is met de kerstening der Germanen verbreid; het stamt uit het keltisch (vgl. okorn. kymr. cloch, bret. cloch < *klokkā) en kwam eerst naar Engeland, en verder ten dele rechtstreeks, ten dele door Angelsaksische missionarissen naar Westeuropa, waar het in de 8ste eeuw voor het eerst optreedt. Ook mlat. clocca (sedert 692) stamt uit het keltisch.

Frings, Germ. Rom. 1932, 141 denkt dat de hd. gl-vormen door ontlening uit Italië, terwijl de kl-vormen uit Noord-Gallië zouden zijn gekomen. Maar door de ierse missie in Zuid-Duitsland werd het keltische woord zeker ook rechtstreeks in Zuid-Duitsland verspreid; een bewijs daarvoor zijn de vierkante koeienklokken in het Alpengebied, die de vorm van de oorspr. ierse klokken bewaard hebben. — De bet. uurwerk kwam in Nederland op; in de 14de eeuw brachten Nederl. uurwerkmakers het woord naar Londen (vgl. ne. clock sedert 1371, vgl. Bense 45).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klok II (bel enz.), mnl. clocke v. (zelden m.). = ohd. glocka, glogga (nhd. glocke), mnd. klocke, ofri. klokke, ags. clugge (eng. clock uit ’t Ndl.), on. klokka, klukka v. “klok”. Ontl. uit het Rom. Mlat. clocca (fr. cloche) komt sedert het eind van de 7. eeuw voor. Men leidt dit rom. woord gew. uit het Kelt. af. Voor den anlaut in het Germ. vgl. peer: ohd. bira.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klok. De mogelijkheid bestaat, dat het woord met de ierse missie rechtstreeks uit het Kelt. in het Germ. is gekomen.
Frings Germ. Rom. 141 wil de hd. gl- verklaren uit ontlening van Italië uit, terwijl de kl-vormen uit Noord-Gallië zouden gekomen zijn. Mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klok 1 v. (om te luiden), Mnl. clocke + Ohd. glocka (Mhd. glocke, Nhd. id.), Ags. clucge (Eng. clock), On. klukka, klokka (Zw. klocka, De. klokke): het Germ. woord komt, evenals het Rom. (Mlat. clocca, Fr. cloche), uit het Kelt. (Ier. cloc = klok), waar het een onomat. is. Voorts toegepast op andere voorwerpen wegens den vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Klok snw. Segsw.: As die klok (van Rome) slaan, bly jou gesig so staan, tot ’n kind wat lelike gesigte trek. – Ter Laan 935: A’ je veur de spaigel male gezichtṇ trekṇ ìn de klòk slagt, kin ’t gezicht so stoan blievṃ; Dek 38: Dienkt er om, a ’t de klokke slit en d’ îne kraait en ’t vîer brandt dan bluuf je hezicht êel je leven zò stîn; Corn. en Vervl. 669: Als ’t kloksken van Roomen slaagt (of luidt) blijfde zòò staan; ook Joos 351; Tuerl. 325. Harreb. I, 415: Als het klokje van Rome luidt, blijft gij scheel zien.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

klok (Oudiers cloc)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

klok. De Klaagbox van Internet bevat de verwensing de klok! In de Volkskrant van 29 december 1997 noemt Sanders krijg de klok!, en hij veronderstelt dat bedoeld wordt ‘krijg elk uur een slag’. Natuurlijk moeten wij de verwensing niet letterlijk opvatten. Zij geeft minachting aan. De emotionele betekenis is veel meer ‘wat heb ik een hekel aan je, maak dat je wegkomt’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klok ‘bel; uurwerk’ -> Engels clock ‘uurwerk’; Indonesisch klok ‘belvormig’; Ambons-Maleis kelok ‘bel; uurwerk’; Kupang-Maleis kelok ‘bel; uurwerk’; Menadonees kelok ‘bel; uurwerk’; Ternataans-Maleis kelok ‘bel; uurwerk’; Negerhollands klok, klock ‘bel; uurwerk’; Berbice-Nederlands klok ‘uurwerk’; Papiaments klòk (ouder: klok) ‘uurwerk’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Zoals het klokje thuis tikt [gevleugeld woord] (1898). Herman Heijermans (1864-1924) schreef in 1898 het toneelstuk Ghetto, waaruit de uitspraak “Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nèrgens” spreekwoordelijk is geworden. Ook de titel van zijn Op hoop van zegen uit 1900, en daaruit de beroemde zin “De vis wordt duur betaald” worden spreekwoordelijk. In hetzelfde jaar publiceert hij het boek Kamertjeszonde, waarvan de titel ook altijd bekend is gebleven.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klok bel, uurwerk 1237 [CG I1, 31] <Iers

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1184. Iets aan de (groote) klok hangen,

d.w.z. iets alom bekend, ruchtbaar maken; aan elk en ieder overluid vertellen; hd. etwas an die grosze Glocke hängen oder bringen; fr. sonner la grosse cloche. In de 16de eeuw zeide men hiervoor dat is al an die clockreepe voor: dat weet Jan en alleman; zie Campen, 22; Sart. I, 7, 33 en bij Sart. Adagia, p. 147: het hanght al aen de klockreep, dat ter vertaling dient van notum lippis et tonsoribus. Ook Hooft gebruikt deze uitdr. in Ned. Hist. 1051, evenals Coster, 37, vs. 820 var.; Smetius, 116 en Winsch. 15: Ik hang het aan de klokreep, ik maak het rugbaar. Naast clockenreep kende men in de middeleeuwen ook clockenseel, en zoo kon men ook zeggen aan 't clockenseel hangen, dat aangetroffen wordt Sac. v.d.N. 896 (als de vrouwen wat weeten dat hanght aent clockzeel) en thans nog in Noord- en Zuid-Nederland bekend is; zie Teirl. II, 149; Joos, 89; Waasch Idiot. 352 a; Antw. Idiot. 670 en Schuerm. Bijv. 164 b. De tegenwoordig algemeen gebruikelijke uitdr. iets aan de (groote) klok hangen is eerst in de 17de eeuw aangetroffen; men bedenke hierbij, dat meestal twee klokken in den toren hingen, een zware of groote klok, die bij brand, bij openbaren nood of een vijandelijken inval werd geluid of ‘geslagen’, en eene met een minder zwaren klank, welke voor het bijeenroepen tot openbare afkondigingen werd ‘geklept’Vgl. Fr. Seiler, D. Sprichwörterkunde, p. 246: Zur Gerichtsverhandlung wurden die Dinggenossen auf dem Lande durch das Läuten der Kirchenglocke zusammengerufen. Daher: mit der groszen Glocke zu Gericht laden (Grimm, D. Rechtsaltert. 2, 470). Wer also etwas vor Gericht brachte, der veranlaszte, dasz die grosze Glocke geläutet wurde, lief gleichsam zur groszen Glocke. Jetzt heiszt es bildlich: etwas an die grosse Glocke hängen, nämlich ein Gewicht an den Glockenstrick, so dasz die Glocke zu läuten anfängt und nun das Verfahren über die Sache eröffnet wird.. Zie Ndl. Wdb. V, 1058; Mnl. Wdb. III, 1565 en vgl. Hooft, Brieven, 205; Six v. Chandelier, 527; C. Wildsch. IV, 310; voor het Nederduitsch Eckart, 161; 82: hä hängt alles ân dä Dômklok; Taalgids IV, 241 en VII, 205, waar wordt medegedeeld, dat men in Zeeuwsch-Vlaanderen ook gebruikt: ‘iets aan de bel hangen, daar vele gemeentehuizen geen klok, maar wel een bel hebben,’Zou niet eerder aan de bel van den omroeper moeten worden gedacht? Zie Taalgids VII, 206; Ndl. Wdb. II, 1655; De Cock1, 254; Volkskunde XIV, 156. waarvoor in Antwerpen gezegd wordt iets met de lange bel doen uitbellen (Antw. Idiot. 205); bij Teirl. 120: iet an den belleman zeggen, iets overal vertellen, uitbellen; in Twente: iets an de panne (het koperen bekken van den omroeper) hangen. Zie verder Suringar, Erasmus, CLI en W. Dijkstra, 358 a: hy hinget it net oan 'e greate klok, hij is geheimhoudend; Ten Doornk. Koolm. II, 276; Reuter, 59 a en vgl. reeds mnl. iet ommebellen, iets ombellen, omklinken; Afrik.: Dit is nie nodig om dit aan die groot klok te hang nie.

1185. Hij heeft de klok hooren luiden, maar weet niet waar de klepel hangt,

d.w.z. hij heeft iets van de zaak vernomen, doch het rechte, het fijne weet hij er niet van; eig. hij heeft eene klok hooren luiden, maar weet niet waar ze hangt, waar het geluid vandaan komt. In Zuid-Nederland zegt men ook voor het laatste gedeelte maar hij weet niet waar het kapelleken staat of waar de string hangt (Schuerm. 255; De Bo, 535 en Rutten, 115). Zie verder Spaan, 211; Tuinman I, 196; Harreb. III, 246; Antw. Idiot. 669; Teirl. II, 149; Waasch Idiot. 351: hij heeft een klok hooren luiden maar weet den klippel niet hangen. In het Friesch luidt de spreekwijze: hy het de klok wol lieden heard, mar hy wit net hwer 't de bingel hinget; Afrik. hy het die klok hoor lui, maar weet nie waar die klepel (bel) hang nie; in het hd. er hat läuten hören, weisz aber nicht, wo die Glocken hängen naast wissen wo die Glocken hängenZeitschrift für D. Wortforschung IX, 309.; in de Niederlausitz; er hat läuten hören aber nicht zusammenschklagen; voor het Nederduitsch zie verder Eckart, 161; Taalgids IV, 276; VIII, 111.

1186. Al wat de klok slaat,

d.i. alles wat de klok verkondigt, mededeelt, alles wat men hoort (of ziet); men hoort van niets anders dan; van niets anders is sprake dan. Vgl. C. Wildsch. III, 39: Daar zijn kooplui genoeg in Amsteldam: 't is al koopman, koopman, wat de klok slaat; Harreb. III, CXXVI: Het is al raad, wat de klok slaat; Haagsche Post, 1917 p. 361 k. 1: Wij hebben immers onzen Franschen tijd gekend, toen 't al Fransch was, wat de klok sloeg; De Vrijheid, 11 Januari 1922, 2de bl. p. 4 k. 4: 't Is al bezuiniging wat de klok slaat! De ministers spreken er van, de kamers spreken er van en het publiek spreekt er van; A. Jodenh. II, 47: 't Lijkt wel of hij daar erg verliefd staat, 't is àl liefde heden wat de klok slaat! De Arbeid, 27 Maart 1915, p. 1 k. 4: Dat (het duurder worden) is niet alleen het geval met de artikelen, verkrijgbaar in kruidenierswinkel of bij den bakker, overal luidt de klok: ‘'t kost zooveel centen meer’; Handelsblad, 31 Dec. 1914 (avondbl.) p. 6 k. 6: Overigens oorlog, oorlog wat de klok luidt; Antw. Idiot. 669: Het is daar allemaal Fransch dat de klok slaagt; Rutten, 115: 't Is heden hooge vrouwliehoeden al wat de klok slaat; Teirl. II, 149: t'Es dor al frans dat de klokke slaat; Waasch Idiot. 351: In die stad is 't Fransch al wat de klok slaat; Schuermans, 255.

1313. Weten (of zien) hoe laat het is,

d.i. in eigenlijken zin: zijn tijd waarnemen, op zijn tijd passen, zijne zaken behartigen en op het getij letten; vervolgens verstandig zijn, zijn weetje weten, weten of zien hoe het met iemand of iets staat, gesteld is. In de 17de eeuw: wel weten wat de klok (geslagen) heeft; zie Beets, Anna Roemers, 137; Winschooten, 256 en vgl. het hd: wissen, wieviel es geschlagen hat; het eng. to know what is o' clock or the time of the day; in het Vlaamsch zien wat er geslagen is, zien wat er gaande is, wat er scheelt. Vandaar ook onze uitdr.: Is het al weer zoo laat? is het er al weer zoo mede gesteld? Zie ook Harreb. III, 82; Ndl. Wdb. VIII, 859; Joos, 116 en Schuermans, 320 b; De Bo2: Die vrouw kent de laatte van geheel de parochie, d.i. weet al wat er op het dorp omgaatVolgens Ndl. Wdb. VIII, 861.. Vgl. Handelsblad, 1 Nov. 1915 (avondbl.) p. 1 k. 2: Op een morgen waren de uiteinden van de sappen verbonden. Er lag een nieuwe loopgraaf. Nu wisten wij hoe laat het was; 29 Oct. 1915, p. 3 k. 4 (ochtendbl.): Ruim 7 uur klonk gejuich binnenskamers en toen wisten de menschen op straat al hoe laat het was..... in den figuurlijken zin. In Antwerpen beteekent de uitdr. weten hoe laat het is of wat uur het is, berispt worden, slaag krijgen (Antw. Idiot. 1307; 1858); Teirl. II, 201: weten hoe laat het es, bekeven of berispt worden; gefopt, bedrogen worden; veel verliezen; slaag krijgen. Hiernaast weten of zien hoe laat de klok slaat; vgl. Handelsblad, 13 Aug. 1917 (A) p. 2, k. 2: Ik zag ergens een kippetje te koop, die beet was 7.50 fr. waard. Elders zag ik een potje jam: het kostte 6 franken. Met deze enkele prijzen kunt ge hooren, hoe laat hier de klok slaat; Haagsche Post, 1 Maart 1919, p. 230, k. 2: Men weet dat onze regeering zich tot de Belgische heeft gewend met beleefd en dringend verzoek om nu eens duidelijk te zeggen hoe laat de klok slaat.

2695. (Aanv.) Als de kok met de keukenmeid kijft, dan hoort men waar de boter blijft,

als twee schelden, die het gewoonlijk eens zijn, twist krijgen, dan komen hunne boevenstreken aan het licht; vroeger ‘als de kok met den bottelier kijft, dan weet men waar de botter blijft, waar meede men seggen wil, dat als de Opperhoofden beginnen oneens te werden, dan hoord de gemeene man, waar het haaperd, en waar het Boefje schuild; want soo lang de kok met de Bottelier het eens is, soo kan de oorsaak van het quaalijk schaffen verhoolen blijven, omdat die twee malkander de Bal toe kaatsen’ (Winschooten, 116). Evenzoo bij Cats I, 458:

Als kock en bottelier lest eens te samen keven,
 Toen hoord' ick onder wien de boter was gebleven.

Tuinman I, 146: Als kok en bottelier zamen kyven, hoort men waar de boter gebleven is.... Zo lang die vrienden zyn, konnen zy zamen ontrouw plegen: maar wanneer daar tusschen twist komt, dan beklappen zy malkanderen, en 't gepleegde komt aan den dag; Harreb. I, 83; Handelsblad 9 Januari 1925 (A) p. 1: Als de kok met de keukenmeid kijft; Ndl. Wdb. III, 738.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal