Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klis - (verwarde verstrikte massa)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klit zn. ‘verwarde verstrikte massa’
Mnl. clithe ‘klis’ [1240; Bern.], clit ende distel sullen opclimmen ‘klis en distel zullen groeien’ [1477; MNW]; vnnl. klit, overdrachtelijk ‘verwarde verstrikte massa’ in een klit van driehondert mann' ‘een menigte van driehonderd man’ [ca. 1645; WNT], klitte, hayr dat geklit is [1648; WNT].
Klit was oorspr. een synoniem van klis ‘plant met kleverige bloemknoppen (Arctium lappa)’, mnl. clesse [1240; Bern.], vnnl. clisse [ca. 1545; MNW]. De huidige betekenis van klit is ontstaan naar analogie van de vorm van de vruchten.
Os. kleddo, kledda; ohd. kletta (nhd. Klette); oe. clīðe (vne. clithe, clithers), clāte (ne. vero. clotbur); < pgm. *kliþþan-, *kliþþan-, klīþōn-, klaitōn-. Al deze woorden zijn benamingen voor de ‘klis’ of soortgelijke planten. Deze verschillende stamvormen zijn wrsch. door analogiewerking ontstaan uit één paradigma van een ablautende n-stam, vroeg-pgm. nominatief *klīþō, genitief klittaz, uit pie. *gléit-ōn, *glit-n-ós (Kroonen 2008). Mogelijk is de wortel *gleit- een uitbreiding van *glei(H)- ‘kleven’, zie → klei.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klis* [plantengeslacht, verwarde, samenklevende massa] {clisse, clesse [klis, klit, warklomp, kleiige aarde] 1440; als plantennaam 1543} samenhangend met klit, middelnederlands clit(te), clette, oudsaksisch kletto, ablautend oudengels clate, naast oudhoogduits kletta, kledda, oudsaksisch kleddo, welke vormen afgeleid zijn van de stam van klei.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klis znw. v., mnl. clisse, clesse v., ‘klis; leem, klei’, Teuth. clesse ‘klis’ zal wel ontstaan zijn uit *kliþþō en behoort dan tot de idg. wt. *gleit (waarvoor zie: klei). — lat. glis (glitis) ‘humus tenax’, glūs (glūtis < idg. *gloito) ‘lijm’, lit. glitùs ‘glad, kleverig’. — Zie ook:klit.

Naast *kliþ stond ook *klið vgl. oe. cliða ‘wondpleister’, cliðe ‘klis’, ohd. kledda, kletta (nhd. klette), os. kleddo m. — Van de wt. *gleibh komen nog de klis-woorden: Kiliaen kleve, klijve (nnl. dial. achterh. klive), os. kliƀa, ohd. kliba, oe. clife. — In Nederl. worden verschillende planten aangeduid met deze naam. Behalve de familie Lappa, ook het tandzaad (Bidens tripartitus) in Groningen en Duiveland, klitten in het Land van Hulst, het kleefkruid (Galium aparine) in Twente, West-Friesland, Utrecht, Zuid-Holl, Zeeuws-Vla., Goeree en Walcheren, klitten in Noord-Brab. en verder de stekelnoot (Xanthium) in Oost-Brab., Oost-Drente, de Graafschap en klitten, kletten in Noord-Limburg.

klit znw. v., mnl. clit, clitte, os. kletto en daarnaast oe. clate (ne. clot-bur), oe. clite ‘hoefblad’, ne. dial. clote, clite, cleat ‘klit’. — Uit idg. wt. *gleid (waarvoor zie: klei), vgl. lett. glìdet ‘slijmerig worden’. — Zie verder: klis.

Een mengvorm van klitte en klisse is klitse naast kletsen (Noord-Limburg, maar ook het Kleefs-Gelderse gebied van het Rijnland), vroeger zeker wel algemener, blijkens de ontlening in de taal van enkele streken ten O. van de Elbe klitze, vgl. Teuchert, Sprachreste 204-5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klis znw., mnl. clisse, clesse v. (ook “klei, leem”). = Teuth. clesse “klis”. Hangt samen met klit, mnl. clit(te), Teuth. clette, os. klëtto m. (of ohd.?), waarnaast met ablaut en één t ags. clâte v. “id.” (eng. clot-bur), — en met ohd. chlëtta, chlëdda (nhd. klette) v., chlëtto, chlëddo m., os. klëddo m., waarnaast met één ð resp. þ ohd. klëta v., ags. cliðe v. “id.”. Al deze woorden komen van verlengingen van de bij klei besproken basis. Vgl. nog ohd. kliba, os. kliƀa, ags. clife v. “id.”, die zich bij kleven aansluiten. Of klis van een basisverlenging germ. kli-s- komt of een dgl. ss heeft als mnl. smisse (zie smidse), is onzeker. Is soms russ. glistá, glist “regenworm” (alg.-slav.) verwant? Dit kan van een basis glī̆-s- of van glī̆-t-, -d-, -dh- komen. Welke associatieve betrekkingen er precies bestaan hebben tusschen de in dit artikel besproken woorden en de bij klad genoemde, is niet uit te maken.

[Aanvullingen en Verbeteringen] klis. Ohd. kliba enz. = Kil. kleve (“Sax.”) “klis”, waarnaast klijve, nog achterh. klîve v. “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klis, klit. Met ags. cliðe vgl. owvla. (herb.) clithe ‘id’. — Bij ohd. kliba, os. kliƀa, ags. clife v. adde: Kil. kleve, waarnaast klijve = achterh. klîve (v.Wijk Aanv.). De ohd. ags. os. woorden hebben wellicht ook î.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klad 3 v. (klis), + Hgd. klette, Ags. cliđe; daarnevens klet, klit en klis: z.d.w. Van hier Fr. gletteron, glouteron.

klis v., Mnl. clisse, met bijvormen klas, classe; ontstaan uit klatse, klitse, en dus afleid. van klad 3 en klit (z.d.w.)

klit v., Mnl. clitte, clette, Os. kletto + Ags. cláte (Eng. clot-bur), daarnevens Os. kleddo, Ohd. kletta, ook Ags. clíde + Lat. glis, Lit. glitus = kleverig, uitbreidingen van den wortel van klei (z. klet, klis). Uit Germ. Fr. gleton, glouteron.

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Árctium | Árctiumsoorten: Klissoorten
De naam arctium is afkomstig van het Griekse arcteiion, zoals de plant bij de Grieken heette en ontstaan uit arctos: beer, vanwege de ruwe bladeren en stekelige bloemhoofdjes, die gelijken op de borstelige, ruwe berehuid. Bij Dodonaeus (1608) vinden we als ‘Oorsaecke des naems’: ‘Dit cruydt is in Griex genoemt gheweest Arction (seydt Lobel) om dat de Clissen oft stekende bollekens gelycken de rouwe ende lockachtige hoofden van de Beeren.’ Vroeger heette dit geslacht Lappa, naar de reeds door Plinius gebruikte naam voor de Klis. Deze naam is terug te voeren op het Griekse ‘labein’, hetgeen vasthouden of grijpen beduidt, want de vruchthoofdjes hechten zich aan de kleren van de mens of aan de huid of pels van een dier, die ermee in aanraking komt. Dit wordt veroorzaakt doordat de omwindselblaadjes aan de top haakvormig omgebogen zijn.
Voor de bevolking lijken alle klissoorten zo op elkaar, dat zij geen onderscheid tussen de soorten onderling maken. Uit dien hoofde bestaan er bijvoorbeeld geen echte volksnamen voor de afzonderlijke klissoorten. De meest algemene is de Gewone Klis (A. pubens). Trouwens ook voor botanici is Arctium geen gemakkelijk geslacht, omdat de soorten onderling sterk bastaarderen. In het algemeen spreekt men van Klis of Klisse en in de middeleeuwen van Clisse. De oorsprong van deze naam zal wel zijn het Germaanse kli, dat aanhangen of kleven beduidt. Wij kennen het woord klitten in de betekenis van ‘als klitten aan elkaar hangen’ of een klit vormen. In de Moufeschans van Hondius uit de zeventiende eeuw komen we de volgende passage tegen: ‘Roo cornoeillen sonder missen, hangen aen den boom als clissen.’
In het Oudhoogduitse kent men Kletta en Chledda als naam voor de klis, maar ook Klida; thans is de Duitse naam Klette. Minder algemeen is de Grote klis (A. lappa).
De naam Klis heeft al naar de streek een min of meer dialectische vorm gekregen. Om niet in een soort waslijst te vervallen geven we slechts enkele namen: Klad, Kladdebos, Klarbossen, Klas, Kleade, Kleskoppen, Klet, Kletsen en Kletten, de laatste drie in Noord- en Zuid-Limburg, waarschijnlijk onder invloed van het nabije Duitsland. Verder nog Kleverklas(se), Kleverklis, Klewklaske en Kleineklasgen in Twente. Op Texel spreekt men van Klòòdde: ‘Denk er om die jongens gooie met Klòòdde.’ De naam die de plant in de Oost-Veluwe bezit, is in de strikte zin een echte volksnaam: ]an-plak-an. Geen onbekende klank is voor velen de naam Kliswortel (Kladdewortel) in Oost-Drente.
Vroeger, en thans ook nog, werd de wortel op brandewijn getrokken om als haargroeimiddel te worden gebezigd. Dr. C. Bakker (1928) schrijft dat dit gebruik in Waterland nog in zwang was. Bij herenkappers kan men nog preparaten, gemaakt van Kliswortel, aantreffen. Dat dit een zeer oud middel is, kunnen we opmaken uit de geschriften van Plinius, uit het begin van onze jaartelling, die Lappa reeds roemt voor bovengenoemd doel. Ook Dioscorides kende de plant en deelde mede, dat zij inwendig gebruikt kon worden bij bloedspuwen en longzweren en uitwendig bij peesverrekkingen. Slaat men de Pharmacopeea van 1805 op, dan komt de plant daarin nog voor.
De naam waaronder de wortel in de apotheek bekend stond was Radix Bardanae; de naam Bardanae wil men verklaren als zijnde van Italiaanse oorsprong, omdat de volksnaam aldaar bardana luidt. Dit woord is af te leiden van ‘barda’, de naam voor paardedeken, vanwege de grote onderste bladeren. Of deze uitleg de juiste is, valt te betwijfelen. In Frankrijk kent men de plant onder meer als Bardane officinale. In oude glossaria uit de elfde eeuw komt de Klit reeds als bardona voor. Volgens Niessen zou deze naam van Keltische oorsprong zijn. In de Capitulare de villis van ca. 795, komen we de naam parduna tegen en men neemt aan dat deze naam de Klis betreft. De meningen hieromtrent lopen uiteen, want men veronderstelt dat het hier het Groot hoefblad (Petasítes hýbridus) betreft. Deze plant heeft eveneens grote bladeren.
Van de vele ziekten en kwalen, die genezen konden worden met kliswortel noemen we onder meer chronische huidziekten, rheuma, jicht en syfilis. Niet onvermeld mogen we laten hetgeen in een oud kruidenboek over de plant wordt medegedeeld, namelijk, dat, wanneer zij bovenop het hoofd van een vrouw wordt gelegd ‘de uythangende moeder opwaerts’ trekt.
De naam Tochtkruid, schijnbaar in onbruik geraakt, zal wel samenhangen met het feit dat men het vee deze plant te eten gaf, opdat het tochtig of bronstig zou worden. Betreffende de naam Dokkebladen verwijzen we naar het artikel over Tussilago. Wilde men geluk in de handel hebben, dan was het volgende middeltje voldoende, namelijk de Klis bij zich te dragen of beter nog tussen zijn kleren te naaien. Een kinderspelletje dat zich tot op heden heeft gehandhaafd, is het elkaar met de vruchthoofdjes bekogelen, opdat zij aan de kleren blijven hangen. Dit spelletje is al zeer oud en wordt niet alleen in ons land bedreven. In de Universiteitsbibliotheek te München berust een Herbarium van omstreeks 1420; daarin komt een afbeelding voor, waarop kinderen elkaar de klissen in het haar proberen te gooien. Verder lezen we bij J. ter Gouw in zijn Volksvermaken: ‘Grimm verhaalt hoe in Duitschland op Pinksteren de Groene Man wordt rondgevoerd, een jonge boer, van top tot teen met groen behangen; en zoo had men ook in Engeland Jack in the Green. Sporen daarvan zijn ook in Holland te vinden. Boven Haarlem liepen weleer de boerejongens met den Klisseboer te zingen; -‘t was een jongen van top tot teen met klissen overdekt, zoodat hij zelf één groote groene klis leek. En de Amsterdamsche jongens der achterbuurten, plagten ook zich te vermaken met een hunner makkers geheel met groen te behangen, en dan zingend met hem rond te trekken.’
De naam Prollen schijnt alleen op Zuid Beveland voor te komen. Slaan we het Woordenboek der Nederlandsche taal op, dan lezen we: ‘Te Goes wordt Zaterdag voor de kermis geluid. Die week wordt “prolweek” genoemd. De jongens gooien elkaar dan met klitten, door hen “prollen” genoemd.’ In het Woordenboek der Zeeuwse dialecten vinden we bij prollen: morsen, knoeien met naaiwerk en aan de zwier zijn. Volgens ons kan er verband bestaan tussen het aan de zwier zijn, de kermis en het gooien van klissen als uiting van pret.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klis ‘plantengeslacht’ -> Duits dialect Klitze ‘plantengeslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klis* plantengeslacht 1301-1400 [Glossarium Trevirense]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1183. Aanhangen als eene klis (of als klissen),

d.w.z. steeds bij iemand blijven, hem steeds vergezellen, niet loslaten, als ware men aan hem verbonden, aan hem vastgekleefd, zooals een klis dat doet. Onder een klis verstaat men namelijk een stekeligen knop van klissekruid, die op wollige stof geworpen, daaraan vastkleeftVgl. Herb. c. 23: De groote clisse.... heeft veel tacxkens ter sijden, daeraen wassen groote clissen, die sijn eerst gruen, ende crijghen veel cromme haecxkens, daermede sij aen de cleederen blijven hangen; zie Mnl. Wdb. III, 1556.. In de 16de eeuw komt de zegswijze voor bij Anna Bijns, Nieuwe Refr. 122: Mijn hertken hangt aen u gelijck een clesse; Refr. 163: tVolck hinghe hem ane gelijck een clesse. Zie verder Servilius, 196 en 266*; Sart. II, 9, 42; IV, 47; Hooft, Ged. II, 222; Harreb. III, 257; Nkr. IV, 10 Juli p. 4: Zij hangen, broeders in het kwaad, als klissen aan elkander; De Bo, 534 b; Antw. Idiot. 667; Bouman, 55: ze hangen aan als klissen, als kladdebossen. Eene synonieme uitdr. was aanhangen (of aanhouden) als een klad; zie o.a. Korenbl. II, 258; Brederoo I, 288 (ze hing men om tlijf as ien klat); Warenar, vs. 368, waarin klad hetzelfde beteekent als klis; op elkaar hangen als klitten (in Kalv. II, 210). In Groningen: zij hangen an'kander als klarren (Molema, 202 b); in Deventer: aanhangen as klassen (Draaijer, 20 a); in Twenthe: dat hangk an mekaar as drek an 't rad, van slecht volk dat elkander bijspringt, zoo gauw men iets met een van hen te doen heeft; in het Haspeng. oaneenhangen als eene klis (Tuerlinckx, 323); hd. sie hängen an einen wie eine Klette; eng. to stick to a person like a bur.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut