Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kliniek - (inrichting voor medische zorg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kliniek zn. ‘inrichting voor medische zorg’
Nnl. clinicum, kliniek ‘onderrigt en oefening in de heelkunde’ [1824; Weiland], ‘inrichting voor medische zorg, waar geen medisch onderricht wordt gegeven’ [1905; WNT].
Wrsch. ontleend aan Frans clinique ‘inrichting voor patiëntenzorg, waar ook medisch onderricht wordt gegeven’ [1814; Rey], eerder al ‘medisch onderricht aan het ziekenhuisbed’ [1808; TLF], oorspronkelijk ‘uitoefening van de geneeskunst aan het bed’ [1626; TLF], ontleend aan Latijn clīnicus ‘arts’, gebaseerd op Grieks klīnikós ‘heelmeester’ en klīnikḗ (téhnē) ‘kunde van het behandelen van bedlegerigen’, afleidingen van klī́nē ‘bed’, bij het werkwoord klī́nein ‘hellen, liggen’, verwant met → leunen. De algemenere betekenis ‘inrichting voor medische zorg, niet bestemd voor medisch onderricht’ is mogelijk ontleend aan Duits Klinik [ca. 1800; Pfeifer], ook gebaseerd op Grieks klīnikós; in het Frans is die betekenis pas laat geattesteerd [1890; TLF].
Een kliniek heette eerder al een clinisch instituut, zie hieronder. Een kliniek is in Nederland tegenwoordig een afdeling van een Academisch Ziekenhuis, zoals de kliniek voor verloskunde en gynaecologie van het Utrechts Academisch Ziekenhuis [1971; WNT Aanv. prikken] of een klein ziekenhuis waar speciale zorg wordt verleend, meestal in samenstellingen als kraamkliniek [1927; Vaderland] en privékliniek [1936; Vaderland]. In het BN is kliniek meestal synoniem met ‘ziekenhuis’.
klinisch bn. ‘betreffende patiëntenonderzoek, betreffende een kliniek; afstandelijk’. Nnl. clinisch instituut ‘instituut voor medische zorg en onderricht’ [1815; WNT], klinische tuberculose ‘in een kliniek geconstateerde tuberculose’ [1914; WNT], klinisch ‘koel, zakelijk observerend, emotieloos, afstandelijk’ in een klinische benadering van de problemen [1984; Van Dale]. Ontleend aan Duits klinisch ‘behandeling van bedlegerige patiënten betreffend, een kliniek betreffende’ [eind 18e eeuw; Pfeifer], eveneens gebaseerd op Grieks klīnikós en klīnikḗ (tékhnē). De betekenis ‘koel, zakelijk, emotieloos’ is wrsch. ontleend aan het Engels, waar clinical de betekenis ‘zakelijk observerend (als een arts)’ al heeft sinds 1928 [OED]. ♦ polikliniek zn. ‘afdeling waar niet-bedlegerige patiënten onderzocht en verzorgd worden’. Nnl. ‘afdeling of inrichting voor onderzoek en verzorging van ambulante patiënten’ in eene polykliniek voor mannen [1864-65; iWNT], hartziekten, behandeld op de kliniek en polikliniek [1871; WNT hartziekten], ook polykliniek voor kleine huisdieren [1934; WNT]. In de spreektaal in Nederland wordt polikliniek ‘ziekenhuisafdeling voor ambulante zorg en onderzoek’ ook afgekort tot poli [1991; NRC]. Ontleend aan Duits Poliklinik [1800-50; Pfeifer], gevormd op basis van Grieks pólis ‘stad’ en klīnikós, letterlijk dus een ‘stedelijke artsenpraktijk’. De veelvoorkomende spelling polykliniek berust op een verkeerde interpretatie als poly- (zoals in polyvalent) < Grieks polús ‘veel’, wrsch. omdat er in een polikliniek verschillende specialismen aanwezig zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kliniek [ziekenhuis] {1864-1865} < frans clinique < grieks klinikos [betrekking hebben op een bed] (vgl. klinisch).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kliniek znw. v. ‘geneeskundig onderricht op en geneeskundige hulp aan minvermogende patiēnten’, dan ook ‘inrichting, waar dit onderricht gegeven wordt, inrichting voor verpleging’ < fra. clinique eig. ‘bedlegerig’ (sedert de 17de eeuw) < gr. klinikós ‘bedlegerig’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

krenike (O), zn. v.: ziekenhuis. Fr. clinique met verdoffing van de voortonige klinker en l/r-wisseling.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kliniek’ (de, -en), (ook:) praktijkafdeling van een arts of tandarts, al of niet verbonden met zijn woonhuis, Gewoonlijk was het venster* dicht en lag ze op de vloer met het tijdschrift, meegenomen uit de kliniek van de dokter (Vianen 1979: 44). - Etym.: AN k = inrichting voor (meestal specialistische) verpleging. - Syn. poli* (2), polikliniek*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kliniek ‘ziekenhuis’ -> Noord-Sotho kliniki ‘ziekenhuis’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa kliniki ‘ziekenhuis’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe kliniki ‘ziekenhuis’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch klinik ‘ziekenhuis’; Javaans klinik ‘ziekenhuis’; Menadonees klinik ‘ziekenhuis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kliniek ziekenhuis 1864-1865 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal