Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klimmen - (omhoog klauteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klimmen ww. ‘omhoog klauteren’
Mnl. climmen ‘omhoog klauteren’ [1240; Bern.], om te climmene toten mure ‘om (uit de gracht) naar de muur te klimmen’ [1260-80; VMNW], dat hi vp eenen boem clam ‘dat hij een boom inklom’ [1285; VMNW], ook overdrachtelijk ‘stijgen’ in met haren stemmen daden si hare noten clemmen ‘met hun zang lieten ze de melodie opstijgen’ [1300-50; MNW-R], laet ons allen in weldoene clemmen ‘laat ons allen steeds meer weldaden verrichten’ [ca. 1440; MNW].
Mnd. klimm(er)en; ohd. klimban (nhd. klimmen); oe. climban (ne. climb); alle ‘klimmen’, < pgm. *klimban- < *klemban-, met assimilatie -mb- > -mm-.
Misschien ontstaan uit een nasaalpresens pie. *glinbh- bij de wortel *gleibh- ‘kleven’ (IEW 363, LIV 189) zoals in → beklijven en → kleven. Bij het klimmen “hecht” men zich immers min of meer aan een steile wand of helling. Zie ook → klemmen.
klimop zn. ‘klimplant (geslacht Hedera)’. Vnnl. klimop [1599; Kil.]. Afleiding van het werkwoord opklimmen. Een oudere naam voor deze plant is veil. Daarnaast waren in het Vroegnieuwnederlands veelzeggende namen als kleef, klif en vooral klijf in gebruik, waarin dezelfde wortel klif- te vinden is als in het sterke ww. mnl. cliven ‘kleven, klimmen’, zie → beklijven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klimmen* [omhoogklauteren] {clemmen 1265-1270, climmen 1260-1280} oudhoogduits klimban, oudengels climban [klimmen]; waarschijnlijk behoren de beide woorden clemmen [klimmen] en kleven bij elkaar en valt te denken aan ‘zich klimmend vastklemmen, tegen de rotswand kleven’ (vgl. klif).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klimmen ww., mnl. climmen, clemmen (de laatste vorm vla.), mnd. klimmeren, mhd. klimmen, oe. climman. — Ten dele kunnen deze woorden assimilatievormen zijn van germ. *klimban, vgl. ohd. klimban, oe. climban, waarnaast caus. mhd. klamben ‘vast aan elkaar voegen’, on. klembra ‘klimmen’. — Beide vormen zijn nauw verwant en wel 1. idg. wt. *glem, zoals in lat. glomus ‘kluwen’, waarvoor zie: klam 1 en *glembh, waarnaast ook *glemb, waarvoor zie: klamp. Deze wt. *glembh kan een kruising zijn van *glem en *glebh, of *glebh met nasaalinfix; voor deze laatste wt. zie: kalf.

Men verbindt klimmen ook wel met de groep van kleven en gaat dan uit van een wt. *gleibh die naast *glebh staat en die beide uit een wt. *gel worden afgeleid (IEW 360 en 363). — Wat de bet. ‘klimmen’ aangaat, moet men in het eerste geval van ‘samendrukken der voeten’ of ‘het zich vast tegen de bergwand drukken’ uitgaan, in het laatste geval van ‘zich vastklemmen (= kleven) aan of tegen het te beklimmen voorwerp’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klimmen ww., mnl. climmen, waarnaast gebruikelijker clemmen. Dezen vorm noemt Kil. “Flandr.” en hij is nog vla. Hij staat tot klimmen als zwemmen tot hd. schwimmen. Klimmen = ohd. chlimban (nhd. klimmen), (mnd. klimmeren), ags. climban (eng. to climb) “klimmen”. Wordt gew. met beklijven en kleven gecombineerd: men kan dan aannemen òf dat de m oorspr. slechts praesentisch was òf dat kli-m-ƀ- een formans-variant is (zie klei). Ook echter is verwantschap met klemmen mogelijk. Dan zou de flexie naar de 3. sterke klasse oorspronkelijk zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klimmen ono.w., Mnl. climmen, clemmen + Ndd. id., Ohd. klimban (Mhd. en Nhd. klimmen), Ags. climban (Eng. to climb): een genasaleerde vorm van denz. wortel van waar het sterk werkw. klijven komt, dat vermeld is bij kleven. Mnl.-Vla. klemmen is eig. zw. factit. bij het st. klimmen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klumme (ww.) klimmen; Vreugmiddelnederlands climmen <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Klimmen (Ohd. climban, waarvan de m is ingevoegd), van den wt. klib (zie Kleven); klimmen is dus: kleven, vasthechten, met de bijgedachte: daardoor stijgen,

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klimmen ‘klauteren’ -> Negerhollands klem, klim ‘omhooggaan, klauteren’; Sranantongo kren (ouder: krinn) ‘klauteren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klimmen* klauteren 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut