Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klimaat - (gemiddelde weersgesteldheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klimaat zn. ‘gemiddelde weersgesteldheid’
Mnl. climaet ‘klimaatgordel, gebied met zekere gemiddelde stand van hemellichamen’ in wi sijn inden seuenden clymaet ‘wij bevinden ons in de zevende aardgordel’ [1462; MNW-P]; vnnl. climaet ‘landstreek met een zekere weersgesteldheid’ in Dat ... wy elders niet en soecken t'Ghene ons Climaet ontbeert ‘Dat wij elders niet zoeken wat ons klimaat mist’ [1613; WNT], ‘algehele weerstoestanden in een gebied’ in de groote hitte ... deses climaets [1649; WNT]; nnl. ook overdrachtelijk klimaat ‘heersende algemene gesteldheid, toestand, sfeer’ in een aantrekkelijk woonklimaat [1961; WNT wonen].
Ontleend aan Frans climat ‘gemiddelde weersgesteldheid, klimaatgordel’ [1314; TLF], eerder al ‘gebied op aarde, klimaatgordel’ [1275-80; TLF], een geleerde ontlening aan Latijn clima (genitief climatis) ‘helling ten opzichte van de aardas, gebied op aarde met zekere gemeenschappelijke stand van hemellichamen’, ontleend aan Grieks klíma (genitief klímatos) ‘glooiing, helling’, afleiding van klī́nein ‘hellen’, verwant met → leunen. Zie ook → climax.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klimaat [natuurlijke gesteldheid van lucht en weer] {climaet [luchtgesteldheid] 1485} < oudfrans climat < latijn clima (2e nv. climatis) [gebied, klimaat] < grieks klima [helling, inclinatie van de aardas, gebied, klimaat]; in de laatste betekenis pas byzantijns-gr., van klinein [doen leunen, neigen, verschuiven] (vgl. klinisch).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klimaat znw. o. < fra. climat < lat. climate- verbogen vorm van clima ‘klimaat’, eig. ‘buiging der aarde van de evenaar naar de polen’ < gr. klĩma, een afl. van het ww. klī́nein ‘buigen, neigen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klimaat znw. o., laat-mnl. climaet o. “klimaat, luchtstreek” Uit fr. climat (< gr.-lat. clîma). Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klimaat o., uit Fr. climat, gevormd van den stam van Gr. klíma = buiging, gordel, hemelstreek, van klínein = leunen (z.d.w., alsook ladder).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

klamaat: (dial. v.) klimaat, wsk. deur byg. aan klam(mig)heid.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Klimaat (= Fr. climat; < Lat. clima = Gr. κλίμα, -ατος (klima, -atos) = buiging; spec. buiging van de aarde van de evenaar naar de polen; vd. de hiervan afhankelijke weersgesteltenissen; κλίνειν (klinein) = buigen). Lucht- en weersgesteldheid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klimaat ‘natuurlijke gesteldheid van lucht en weer’ -> Petjoh klimaat schieten ‘niets doen, luieren op de voorgalerij’; Negerhollands climat ‘natuurlijke gesteldheid van lucht en weer’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klimaat natuurlijke gesteldheid van lucht en weer 1485 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut