Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klif - (steilte aan de kust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klif zn. ‘steilte aan de kust’
Mnl. een afgaende klef van enen berch ‘een neergaande steile helling van een berg’ [eind 15e eeuw; MNW]; vnnl. klif ‘steilte aan de kust’, soms met paragogische -t, in 't Roode cluft ‘het Rode Klif (aan de Friese Zuiderzeekust)’ [1533; WNT], aent suydtende vant clif ‘aan de zuidzijde van het klif’ [1566; WNT].
Os. klif (waaruit door ontlening nhd. Kliff); nfri. klif; ohd. kleb ‘voorgebergte’; oe. clif (ne. cliff); on. klif; < pgm. *kliba-. Daarnaast ablautend pgm. *klaibō-, waaruit mnd. klēf ‘steile helling’; on. kleif ‘id.’ (nno. kleiv, nzw. dial. klev). En met andere slotmedeklinker *klipp- ‘rotspunt in zee’ (zie → klip) en *klimp- ‘id.’ (mnd. klimp).
Misschien horen deze woorden bij de wortel pgm. *kleib- ‘kleven, hechten’ zoals in → beklijven en → kleven. Voor het betekenisverband wijst men op on. klífa en ofri. biklīva ‘(be)klimmen’. Verband met → klieven < pgm. *kleuban- (BDE) zou semantisch beter verklaarbaar zijn; ook diverse andere Indo-Europese woorden voor ‘rots, steen e.d.’ zijn van woorden voor ‘splijten, breken, snijden’ afgeleid. De stamklinkers pgm. *-eu- en *-(a)i- kunnen echter niet door ablaut uit elkaar verklaard worden. Kuiper (1995: 71) verwerpt beide mogelijkheden en vermoedt, mede op grond van de beperkte geografische spreiding en de variatie in de slotmedeklinker, dat pgm. *klib-, *klipp-, *klimp- en *klaib- alle afkomstig zijn uit een Noordwest-Europese substraaltaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klif* [steile bodemverheffing] {clif [(rots)helling, steilte, klip] 1476-1500} oudsaksisch klib, oudhoogduits chlep, oudengels clif (engels cliff), oudnoors klif; verwant met kleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klif znw. o., mnl. clif, clef ‘helling, steilte, klip’, os. klif, ohd. chlep ‘klip, voorgebergte’, mnd. klif, kleff, oe. clif (ne. cliff), on. klif ‘steilte, rots, klip’. — Daarnaast abl. mnd. klēf, on. kleif ‘steile helling’. — Zie verder: beklijven en verder ook klip.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klif znw. o., mnl. clif, clef “helling, steilte, klip”. = ohd. chlëp(b), os. klif(ƀ) o. “klip, voorgebergte”, mnd. klif, klëff, ags. clif (eng. cliff), on. klif o. “steilte, rots, klip”. Met ablaut mnd. klêf, on. kleif o. “id.”. Verwant met *klîƀanan “klimmen”; zie beklijven. Vgl. ook klip.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klif o., Mnl. clif, Os. kliƀ + Ohd. kleb, Ags. clif (Eng. cliff), On. klif, verwant met klip en kleven, klijven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klif* steile bodemverheffing 1476-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut