Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klieven - (doen splijten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klieven ww. ‘doen splijten’
Mnl. clieven ‘in stukken breken, splijten’, eerst onovergankelijk in haer helmen scorden ende clouen ‘hun helmen braken in stukken’ [1260-70; VMNW], [m]ine herte clieft ‘mijn hart breekt’ [1290; VMNW], dat die lippen clieven ‘dat de lippen barsten (dat er kloven in komen)’ [1351; MNW-P], dan ook overgankelijk, in ghecloven in tween ‘in tweeën gespleten’ [ca. 1350; MNW], met eenen scersse den darme clieven ‘met een (wondhelers)mes de darmen insnijden’ [1351; MNW-P].
Os. klioƀan (mnd. kluven); ohd. klioban (nhd. klieben); nfri. kleauwe, kliuwe; oe. clēofan (ne. cleave); on. kljúfa (nzw. klyva); alle ‘splijten’ < pgm. *kleuban-. Daarnaast het causatief *klaubjan-, waaruit mnl. cloven (zie onder); mnd. kloven; nde. kløve. Daarnaast staat de ablautende (nultrap) zn. pgm. *kluba-, *klubō-, waaruit: mnl. clove ‘kloof, spleet; klem, val’ (zie onder), ook wel clof ‘kloof, spleet’ (o.; zie knoflook onder → look 1); os. kloƀo ‘voetklem’ (mnd. klove); ohd. klub ‘klein tangetje’, klobo ‘vogelklem’ (nhd. Kloben ‘klemhaak, hengsel’); ofri. klova ‘deelgebied’; oe. clufu ‘knoflookteen’ (ne. clove); on. klof ‘kloof, spleet’ (nzw. dial. klov), klofi ‘spleet; klem, soort tang’ (nzw. klove ‘bankschroef’).
Verwant met: Latijn glūbere ‘pellen’; Grieks glúphein ‘inkerven, uitsnijden’ (zoals in → hiëroglief); Oudkerkslavisch glǫbokŭ ‘diep’ (Russisch glubókij); < pie. *gleubh-, glubh- (IEW 401, LIV 190).
Oorspr. was klieven een sterk en onovergankelijk werkwoord met stamtijden kloof, kloven, gekloven. Onder invloed van het zwakke causatief kloven ‘doen splijten’ (zie hieronder) kon klieven de betekenis van kloven aannemen. Tegenwoordig is klieven geheel overgankelijk en wordt de verleden tijd vrijwel altijd zwak vervoegd, het verl.deelw. zowel zwak als sterk.
kloof zn. ‘spleet, smalle opening’. Mnl. cloue ‘id.’, cloueken ‘spleetje’ [1240; Bern.], clove, ook ‘klem, val’ in gevaen ... in den cloven ‘gevangen in de val’. Ablautend zn. bij klieven. ♦ kloven ww. ‘doen splijten’. Onl. wrsch. al in de afleiding *inklouvīn ‘het inslaan’ [8e eeuw; LS]; mnl. cloven ‘doen splijten’ in dar hi die scepe mede clouet ‘waar hij de schepen mee doorklieft’ [1287; VMNW]. Causatief van klieven, maar door de betekenisverschuiving van klieven zijn beide woorden in het Vroegnieuwnederlands synoniem geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klieven* [splijten] {clieven 1290} oudsaksisch klioƀan, oudhoogduits klioban (hoogduits klieben), oudengels cleofan (engels to cleave), oudnoors kljúfa; buiten het germ. latijn glubere [uitkleden, eig.: afschillen], grieks gluphein [kerven] (vgl. kloven, kluiven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klieven ww., mnl. clieven (sterk ww.) ‘splijten’, vgl. nog dial. Antw. st. ww. klieven, os. klioƀan, ohd. chlioban (nhd. klieben), oe. cleofan, on. kljūfa. — lat. glūbō ‘schillen’, gr. glúphō ‘graveren’ (IEW 401). — Zie verder: kloof, kloven, kluif. — > fra. cliver ‘diamant splijten’ (sedert 1723, vgl. Valkhoff 94).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klieven ww., mnl. clieven (sterk ww.) “splijten” (ook intrans.). Klieven st. ww. “splijten” is nog dial. (Antw.). = ohd. chlioban (nhd. klieben), os. klioƀan, ags. clêofan (eng. to cleave), on. kljûfa “splijten”. Vgl. kloof, kloven, kluif. Klieven = lat. glûbo “ik schil af, vil, beroof”. Met ablaut gr. glúphō “ik hol uit, graveer”. De verdere combinatie met lit. gwalbýti “heimelijk nemen, wegsleepen” en verder met lit. gwaldýti, glaudýti “ uitschillen” (bases gwold-, gwḷd-, glud- en gwolbh-, gwḷbh-, glubh-) is onzeker, evenzoo die met russ. dial. glybókij, glýbkij “diep”, een ook westslav. woordgroep, welker verhouding tot obg. gląbokŭ “id.” (glu-m-bh-?) en ksl. glĭbokŭ “id.” helaas duister is. Vgl. gleuf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klieven o.w., Mnl. clieven, Os. klioƀan + Ohd. klioban (Mhd. en Nhd. klieben), Ags. cléofan (Eng. to cleave), On. kljúfa (Zw. klyfva, De. kløve) + Gr. glúphein = hol maken, beeldhouwen, Lat. glubere = schillen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Klieven, van den Germ. wt. klub: met een scherp werktuig bewerken; splijten. Verwant zijn: klooven en kluiven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klieven ‘splijten’ -> Frans cliver ‘(een diamant) splijten; een geheel in delen verdelen (fig.)’; Italiaans clivaggio ‘diamant splijten’ ; Portugees clivar ‘diamant splijten’ ; Esperanto klivi ‘metaal of steen splijten volgens natuurlijke breukvlakken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klieven* splijten 1290 [CG II1 En.Codex]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut