Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klier - (orgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klier zn. ‘orgaan; vervelend persoon’
Mnl. cliere ‘vochtafscheidend gezwel’ in clieren. die wassen onder die oren ‘klieren die opzwellen onder de oren’ [1351; MNW-P]; vnnl. klierkens ‘vochtafscheidende orgaantjes’ [1642; WNT]; nnl. klier ‘vochtafscheidend orgaan’ [1702; WNT], ‘verachtelijk persoon’ [1906; WNT].
In het Nederduits en het Schots-Engels is dit woord vele eeuwen later geattesteerd, wat kan wijzen op ontlening. Het Nederlandse woord staat verder volledig geïsoleerd.
Het synoniem clyedere ‘kliergezwel’ [1489; MNW] is later en slechts eenmaal geattesteerd en kan dus niet de oorspr. vorm zijn zoals wel het geval is bij bijv.vlier < mnl. vlieder; het is gevormd door hypercorrectie (FvWS) of het is een heel ander woord.
Nnd. klīr(e) ‘gezwel, klier’; Schots-Engels clyre, clyer ‘gezwel’.
De oorspr. betekenis ‘vochtafscheidend gezwel’ is verouderd. De huidige betekenis ‘vochtafscheidend orgaan (met een voor het lichaam nuttige functie)’ is voor het eerst geattesteerd, in de vorm klierken ‘kliertje’, in de werken van de arts Johan van Beverwijck (1594-1647). Hij introduceerde vele medische neologismen in het Nederlands; mogelijk is klierken er een van. Klier als scheldwoord is ontstaan door overdrachtelijk gebruik van de oude, negatieve betekenis ‘gezwel’, zoals ook bij woorden als → etter 2 en → puist is gebeurd.
klieren ww. ‘zich vervelend gedragen’. Nnl. in de afleiding geklier ‘vervelend gedrag’ [1909; Volk], klieren ‘zich vervelend gedragen’ [1910; Stoett 1915]. Afleiding van klier in de betekenis ‘vervelend persoon’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klier* [vochtafscheidend orgaan] {clier(e) [gezwel] 1351} etymologie onzeker, mogelijk echter bij klei.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mispunt

Een mispunt is het missen van een punt bij het een of andere spel. In die zin gebruikt Hildebrand het in de Camera Obscura, wanneer hij vertelt hoe Pieter zich verstout pot te spelen in De Noordstar. ‘Met een mispunt’, lezen wij daar, ‘besloot hij zijn carrière in het edele ballenspel’.

Deze betekenis van het woord is geheel verloren gegaan. Jammer, want wij hebben er geen ander voor in de plaats gekregen dat de algemene betekenis heeft van: door een fout te maken een punt missen. Wij kennen het alleen nog in de zin van: vervelende kerel, akelig wicht. De betekenisovergang laat zich vergelijken met die van klier. Van: gezwel gaat het betekenen: iemand die gezwellen heeft, afstotende vent. Zo is iemand die altijd mispunten maakt, een prul, een nietsnut, een nare kerel, kortom: een mispunt. De oude betekenis van punt is nog aanwezig in: pluspunt, zoiets als: winstpunt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klier znw. v., mnl. cliere v. ‘klier, gezwel’, oostfri. klir, klire, schots clyre ‘klier, gezwel’. — Het germ. *klīrō zal wel samenhangen met de groep van klei.

Wat mnl. clyedere ‘gezwel’ aangaat, is er geen reden met FW 315 eu-vocalisme aan te nemen, eerder met vHaeringen Suppl. 87 te denken aan een hypercorrecte vorm; misschien ook invloed van klieder en kliederen? In elk geval een groep woorden met sterk affectieve klankwaarde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klier znw., mnl. cliere v. “klier, gezwel”. = oostfri. klîr(e), -schotsch, clyre “id.”, uit *klîrô(n)-, van de basis van klei? Als echter mnl. clyedere “gezwel” = klier is, moeten we een grondvorm met eu-vocalisme aannemen, die met kluwen verwant zou kunnen wezen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klier. Als laat-mnl. clyedere hetzelfde woord is, mogen we het beschouwen als een vorm met “hypercorrecte” d naar woordparen als mnl. vlier naast vlieder (zie ook kade Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klier 1 v. (glande), Mnl. cliere + Oostfri. klire. Schot. clyre: oorspr. onbekend.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

klier: vervelend, onuitstaanbaar persoon; plaaggeest. Ook wel: klieroog. Er bestaat ook een werkwoord klieren: vervelend doen; hinderen.

Zoo’n flauwe klier; die had staan grienen as ’n meid. (M.J. Brusse, Boefje, 1903)
Wat ’n enge klier, smeert ze ’m zoo met ’t statiegeld. (Jacob Israël de Haan, Pijpelijntjes, 1904)
Hij wou, dat ie die vervelende klier maar kwijt was. (Jan Mens, Mensen zonder geld, 1939)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klier ‘vochtafscheidend orgaan’ -> Schots clyre ‘ondeugdelijke plek in vlees; bron van grief; (mv.) veeziekte’; Papiaments klir (ouder: klier) ‘vochtafscheidend orgaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klier* vochtafscheidend orgaan 1351 [MNW]

klier* onuitstaanbaar persoon 1906 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1178. Klier.

Een in de volkstaal voorkomend scheldwoord met de beteekenis van knul, ploert, onuitstaandbare kerel; vgl. voor den overgang der beteekenis kataas, kreng, darm, kwal, fluim, etter, puist, emmer, loeder, schelm (de beide laatste beteekenen oorspr. aas) en dergelijke (zie no. 552 en vgl. Van Ginneken I, 490). Zie Boefje, 168: Zoo'n flauwe klier, die had staan grienen as 'n meid; Peet, 145; Speenhoff II, 65:

Meneer Piet Lut heeft 'n koetsier
En een open koessie.
Ze rijden samen langs de straat
Enkel voor 'n smoessie.
Dan zie je nooit wie van de twee
Of toch de koetsier is;
't Eenige wat je goed kan zien,
Is wie de grootste klier is.

Nkr. II, 5 Juli p. 4: d'Armée-onderofficieren zijn waarachtig ook geen klieren; IV, 3 Juli p. 2: Als ik juich omdat een van die smeerlappen, een van die ploertenOorsprong onbekend., een van die klieren minder gekozen is; 8 Mei p. 2: Jonkheer Piet, die rentenier is, heeft equipage en een tuf, niemand weet hoe rijk die klier is; VI, 2 Nov. p. 3: Leegloopers van sjiek fatsoen, al die nuttelooze klieren vreten van een staatspensioen; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 8: Zoo'n vrome, socialerige klier als dat was! Hiernaast ook klieroog (in Boefje, 169: Hij dorst 'm ommers nie eens an te kaike, die stiekeme klieroog). Van dit klier zijn afgeleid het ww. klieren, zeuren, zanikenIn nog anderen zin in Menschenw. 8: Schorem dat zich daar ophoopte, klierde in onreinheid van stoofhuisjes. en het znw. geklier (gezanik, gezeur; vgl. no. 447). Vgl. Van Ginneken I, 494; Nkr. IV, 3 Juli p. 2: Dat komt omdat die S.D.A.P.-ers met al hun klieren en kruipen macht gekregen hebben; De Arbeid, 12 Nov. 1913, p. 2 k. 2 (geklier).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut