Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klibber - (gom)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klibber1* [gom] {clebber, clibber 1201-1250} van middelnederlands cliven [kleven, blijven vastzitten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klibber znw. o. ‘taaie gom’, mnl. clebber ‘gom’, (Kiliaen) klibber, klebber, klubber. Het woord staat naast kleven, evenals bibberen naast beven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klibber (taaie gom). Kil. klibber, klebber, klubber, mnl. (reeds vroeg) clebber. Behoort bij kleven. Vgl. voor ’t consonantisme bibberen naast beven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klibber 1 o. (gom), met bb uit ƀj, van den stam van ’t meerv. imp. van het sterk werkw. *klijven, vermeld bij kleven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut