Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kleuter - (klein kind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kleuter zn. ‘klein kind’
Vnnl. kleuter ‘kind’ in dat hy dat ... argh kleuterken niet binnen in het klooster en trock ‘dat hij dat haveloze kind niet in het klooster opnam’ [1569; WNT], ick hebse op mijn arm edragen, ... dat het dusschen kleuter was ‘ik heb haar op mijn arm gedragen toen zij nog een kind was’ [1616; WNT], een jong kleuter van tien of ellef jaer [1632; WNT]; nnl. by ons zingt zomtyts een kleuter van zestien jaaren al brandende minnevaerzen ‘... liefdesliederen’ [1725; WNT], eene van de kleuters, die een jaar of tien wezen kon [1845; Gids].
Herkomst onduidelijk. Volgens FvW en Verschueren is kleuter genoemd naar het lawaai dat kleine kinderen maken en is het woord afgeleid van het verouderde werkwoord kleuteren ‘kloppen, herhaaldelijk slaan’ [1599; Kil.], in het Vlaams ook ‘knutselen, knoeien’, een woord uit de reeks van klanknabootsende woorden → klateren, kloteren, kletteren. Het meest wrsch. is de opvatting van het NEW: kleuter zou een nevenvorm zijn van kloter, met een wisseling -o-/-eu- die veel voorkomt in open lettergrepen, en dan zijn afgeleid van → kloot; liefkozende namen voor kinderen zijn wel vaker gebaseerd op woorden voor korte, dikke of ronde voorwerpen, bijv.bengel, → keutel, → knaap, → vlegel.
Tot in de 19e eeuw had kleuter een ruime leeftijdsbegrenzing, zie bijv. de citaten uit 1632 en 1725. Naar analogie van meisje en kind werd kleuter soms als onzijdig woord behandeld, zoals in het citaat uit 1632.
Pas sinds de invoering van de kleuterscholen (zie ook → fröbelen) in Nederland na de Tweede Wereldoorlog is het begrip kleuter ‘kind van ca. 4 tot 6 jaar’ redelijk scherp begrensd. Zo verscheen tot in 1953 nog het Kleuterblaadje met als ondertitel tijdschrift voor kinderen van zes tot tien jaar. In de onderwijswereld heette het iets jongere kind tot die tijd kleine kleuter, zoals bijv. in titels van school- en andere kinderboeken uit het eind van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw. In die periode ging men steeds meer leeftijdsfasen onderscheiden. Deze steeds verfijndere indeling hangt nauw samen met de opkomst van het vak pedagogiek, dat vanaf 1900 in Nederland op universitair niveau beoefend werd (Van der Sijs 2001, 370). Zie ook → peuter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kleuter* [klein kind] {1569, vgl. cloter [balspeler] 1376-1400} vgl. middelnederlands cleuteringe, cloteringe [kleinigheid], cloteren [klein maken], van cloten [knotten, snoeien, kortwieken] → kleuteren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kleuter znw. m., sedert begin 17de eeuw, vgl. mnl. clōter ‘balspeler’. Daar liefkozende namen voor kinderen vaak uitgaan van woorden voor ‘korte, dikke of ronde voorwerpen’ (vgl. bengel, knaap, vlegel), kan men aanknopen aan mnd. clôt ‘bol, klomp’, waarvoor zie: kloot.

Minder waarschijnlijk is een verband met Kiliaen kleuteren, kloteren ‘kloppen’ en dus wegens het lawaai, dat kleine kinderen maken. — Opmerkelijk is de rijmwoord-binding met peuter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kleuter znw., nog niet bij Kil.; deze geeft wel kloteren, kleuteren op in de bet. “kloppen”, een ook ndd. ww. Wellicht is kleuter in de allitereerende verbinding kleine kleuter opgekomen. Als peuter in deze verbinding ouder is, is kleuter er uit vervormd. Anders kan kleuter als “lawaaimakend kind” (vgl. ratel op een persoon toegepast) bij Kil. kleuteren hooren. Dit, wsch. een jong woord, staat in ablaut tot klateren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kleuter. Al vroeg in de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kleuter v., zooveel als ratelaar, geraasmaker, van kleuteren, Ndd. klöteren = ratelen, bijvorm van klateren.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kleuter: kinderachtig persoon.

Wat ben jij toch een kleuter. (Theo van Gogh, Er gebeurt nooit iets, 1993)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Drie kleine kleutertjes [liedregel] (1897). Componiste en zangpedagoge Catharina van Rennes (1858-1940) publiceerde in 1897 een bundel liedjes getiteld Een babbeltje, met de beginregels “Drie kleine kleuterkes / die zaten op ’n hek”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kleuter* klein kind 1569 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut