Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kleur - (tint, lichtnuance; een der vier figuren op speelkaarten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kleur zn. ‘tint, lichtnuance; een der vier figuren op speelkaarten’
Vnnl. eerst in de vorm coleur ‘tint’ in een fluwelen scroode van zulcken colueren ‘een fluwelen lubbe (halskraag) met dusdanige kleuren’ [1525; WNT], des Princen van Orangien coleuren ‘de kleuren (van de vlag of standaard) van de prins van Oranje’ [1582; WNT], dan ook cleur, kleur ‘tint, lichtnuance’ in houwse de cleur ‘behoudt het zijn kleur’ [ca. 1610; WNT]; nnl. koleur, kleur ‘een der vier figuren op speelkaarten’ in de twee roode koleuren zyn de ruiten en de harten [ca. 1717; WNT], kleur bekennen ‘een kaart van de gevraagde kleur bijspelen’ [1864; Calisch], en overdrachtelijk ‘zijn bedoelingen tonen, voor zijn mening uitkomen’ [1893; Kuipers].
Ontleend aan Frans couleur ‘gelaatskleur, huidskleur’ [1100; TLF], eerder al ‘tint, lichtnuance’ [ca. 1050; TLF] < Latijn color (genitief colōris) ‘kleur, tint’, bij het ww. cēlāre ‘verbergen’, verwant met → helen 2 ‘gestolen voorwerpen kopen, verbergen’. De betekenis ‘een der vier soorten speelkaarten’ is wrsch. opnieuw ontleend aan het Frans, waar couleur die betekenis aan het eind van de 17e eeuw had gekregen [1694; TLF].
kleurling zn. ‘persoon met ouders van verschillend ras; niet-blanke’. Nnl. kleurling [1862; Kramers NF], ‘persoon van gemengd bloed’ in de meest gewone kleurlingen zijn: mulatten, kinderen van blanken en negerinnen, zambo's, kinderen van negers en Indianen [1877; WNT zambo], kleurling ‘niet-blanke’ [2005; Van Dale]. Afleiding van het zn. kleur met het achtervoegsel → -ling dat persoonsaanduidingen vormt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kleur [lichtnuance] {coleur 1567, kleur 1710, vgl. colore 1287} < oudfrans colour < latijn colorem, 4e nv. van color [kleur].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

krek

In de uitspraak worden toonloze klinkers vaak veronachtzaamd. Ons woord kleur komt van koleur (Frans couleur), kraf van karaf, krant van courant, kraal van koraal en ons in gemeenzame taal gebezigde krek is het Franse correct. Vroeger noemde men een vrouw die op haar zaken paste, een krek wijf. Thans bezigt men het alleen als bijwoord in de betekenis: juist, precies. Bekend zijn de verbindingen: krek eender als voor: precies als en krek of voor: precies alsof. Vooral ter versterking van een tijdsbepaling wordt krek gebruikt: krek een jaar later, krek om zeven uur. Dit uitgebreide bijwoordelijke gebruik is in het Frans niet bekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kleur znw. v., sedert begin 16de eeuw coloor, caloor < fra. couleur < lat. color.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kleur znw. Met wegval van den vóórtonigen korten klinker (vgl. bij borat) uit coloor, caloor (ȫ), sedert begin 16. eeuw. Ontl. uit fr. couleur (< lat. color) “kleur”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kleur v., uit Fr. couleur, van Lat. colorem (-or) = verf, van denz. wortel als celare = helen (z.d.w.), dus color zooveel als de dekkende.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kleur (de), (ook, als goudzoekersterm:) geringe hoeveelheid stofgoud in het kruit*. Al wat gevonden? Goud bedoel ik. - Een béétje kleur, meer niet, was het antwoord (Butner 1960: 111). - Etym.: De aanwezigheid verraadt zich door de contrasterende kleur.
— : zie goede*, slechte* kleur.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kleur (Frans couleur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kleur ‘lichtnuance’ -> Indonesisch kelir ‘lichtnuance’; Ambons-Maleis kuler ‘lichtnuance’; Jakartaans-Maleis kelir ‘lichtnuance’; Javaans dialect kelér ‘lichtnuance’; Menadonees klur ‘lichtnuance’; Creools-Portugees (Batavia) cloor, coloor ‘lichtnuance’; Creools-Portugees (Ceylon) clor ‘lichtnuance’; Creools-Portugees (Malakka) klor, clôr ‘lichtnuance’; Negerhollands koleur, kulē ‘lichtnuance’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo kloru ‘lichtnuance’; Surinaams-Javaans klir ‘lichtnuance’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kleur lichtnuance 1567 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

270. Een hoofd (een kop of een kleur) als een boei.

Onder een boei verstaat men een voorwerp dat, op het water drijvende en met een touw aan het in den grond liggende anker vastgemaakt, de plaats aanwijst waar dit ligt; soms een eenvoudig blok hout of een stuk kurk, soms in den vorm van een dubbelen afgeknotten kegel als een vat uit houten duigen samengekuipt (tonnenboei) of van plaatijzer vervaardigd (ijzeren boei). Daar de boeien langs de eene zijde van het vaarwater rood geverfd zijn, verstaat men derhalve onder bovenstaande uitdrukking een hoogroode kleur hebben. Zie Winschooten, 29: Hij heeft een kop als een boei, dat is, hij heeft een steeg groot hoofd; Com. Vet. 55: Hoofden als boeyen en hersenen als van een Garn-ael (ook in Bank. I, 126); en verder voor de hedendaagsche beteekenis het Ndl. Wdb. III, 84-85; Noord en Zuid VIII, 358; Harrebomée I, 66; Nest. 57: Ze was geheel confuus en had een kop als een boei. In het Stad-Friesch zegt men een hoofd (of kop) als een boeier; in het Friesch: in kop as in boei; in Groningen: 'n kop hebben as 'n slai (houten hamer; Molema, 380 a); bl. 527: 'n kop as 'n poaskeai (zie ook V. Moerk. 438)Hy siet als een Paes-ey, soo staet hy verpleckt (van een dronken boer gezegd).; een kop als een brul hebben (Goeree en Overflakkee2); bij Opprel, 50 a: zoo rood as en brul (stier?)N. Taalgids XIV, 254; Antw. Idiot. 307: Brul, eene koe, waar men geen kalf in krijgen kan, onvruchtbare koe.; vgl. Maastricht: een kop wie ene piepert, pijper, blazerN. Taalgids XIV, 296.; elders een kop als een bolle, en kop as en tuerhamer (Dr. Bl. 3, 45), en schatvat (Bergsma, 21); te Dieren: as 'n tuunhamer (een slei); N.-Brab.: een kop alsof hij de hel geblazen heeft. Vgl. ook zoo rood als een kreeft, een kroot, een koraal, een kers, een kalkoen, een kalkoensche haan, als bloed.N. Taalgids III, 5.

676. Iets in (al zijne) geuren en kleuren vertellen,

d.w.z. iets zeer uitvoerig vertellen, met vermelding van alle bijzonderheden; fr. en dire de toutes (les) couleurs sur qqch. Bij Harrebomée I, 192 b luidt deze zegswijze: hij vertelt in zijne geuren (of kleuren) en fleuren; vgl. ook Molema, 204 a: iets mit kleuren en fleuren vertellen. Waarschijnlijk is deze uitdr. ontleend aan de bloemen en vruchten, wier kleur en fleur (bloei) het voornaamste is, waarop men let. Men kan ook denken aan iets afschilderen, terwijl geuren en fleuren als rijmwoord zijn toegevoegd. Zie no. 635; Ndl. Wdb. IV, 1874; Lev. B. 18: In al zijn kleuren en geuren; bl. 199: En in geuren en kleuren - felle kleuren en sterke geuren - vertelt Sientje aan de juffrouw; Het Volk, 18 Dec. 1913 p. 2, k. 4: De ochtendbladen weten weer in kleuren en geuren te vertellen wat er gebeurd is. Volgens De Bo zeggen de Westvlamingen hiervoor: iets vertellen met kanten en abouten, met schors en schroo, met sluize en schroo, met schroo'n en kluize, met toer en titels; fri. whet mei kleuren en geuren fortelle.

1177. Kleur bekennen.

Eene uitdr. aan het kaartspel ontleend, die eig. wil zeggen een kaart van dezelfde soort spelen als degeen, die deze het eerst gevraagd heeft; gedwongen worden zijne kaarten van een bepaalde kleur te laten zien; bij overdracht: voor zijne meening uitkomen, veelal op staatkundig gebied; kleur houden, blijven ontkennen (Köster Henke, 33); hd. Farbe halten, bij zijn meening blijven); Afrik. hy wys sy kleure (ook kleure beken); vgl. hd. Farbe bekennen, mit der Farbe herausrücken en nicht mit der Farbe heraus wollen, zijne meening verzwijgen (Grimm III, 1324), waarvoor men in Antwerpen zegt: zijn vlag in zijn(en) zak steken (Antw. Idiot. 382); eng. to show one's handcards.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut