Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kletskous - (praatzieke vrouw)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kletskous* [praatziek persoon] {1898} van kletsen en een tweede lid, waarvoor vgl. achterkousig.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kletskous: iemand die langdurig en tot vervelens toe praat of zanikt over iets; praatvaar. Tevens een minachtende aanduiding voor een vrouw. Een ander scheldwoord met -kous is blauwkous*. Voor zaniken, zeuren bestaat er ook een werkwoord kletskousen.

Sweel, vervelende oude kletskous. (De Groene Amsterdammer, 03/05/1891)
Liep-ie met een jongen, bij voorbeeld met Andriessen, die kletskous. (Theo Thijssen, Kees de jongen, 1923)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

kletskous [praatgraag persoon] (1884). De derde druk van het nog steeds verschijnende woordenboek van Van Dale verschijnt onder redactie van J. Manhave. Hij is de eerste die in een woordenboek woorden opneemt als beneveld ‘dronken’, kletskous, sloom en vertikken.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kletskous* praatzieke vrouw 1884 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut