Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kleren - (kleding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kleed zn. ‘bedekking, overtreksel’
Mnl. cleet ‘kledingstuk’, ook wel cleit in hi duo si besluoch in sine cleider suotelike ‘hij wikkelde haar toen voorzichtig in zijn kleren’ [1220-40; VMNW], alle der sieker cleder ‘alle kledingstukken van de zieken’ [1236; VMNW], cleet ‘kledingstuk, kleed, stuk doek’ [1240; Bern.], men ... sient dor .i. cleet ‘men filtreert het door een doek’ [1287; VMNW].
Mnd. klēt; mhd. kleit (nhd. Kleid); ofri. klath (nfri. klaaed ‘gewaad’ naast kleed ‘kleed’ < nnl.); oe. clāþ (ne. cloth), clǣþ; on. klædi (wrsch. ontleend aan het oe.); alle ‘kleed, kledingstuk e.d.’, < pgm. *klaiþa-.
Men leidt het woord wel af van de wortel pie. *glei- ‘kleven’, zie → klei; voor de betekenisontwikkeling wijst men erop dat vroeger bij het vollen klei gebruikt werd.
De primaire betekenis van dit woord is ‘kleed als lichaamsbedekking’. Net als Duitse Kleid heeft kleed in het BN de oude betekenis ‘jurk’ behouden. In het Nederlands is hieruit een algemene betekenis ‘stuk doek of ander weefsel ter bedekking’ ontstaan. De meervoudsvorm luidde oorspr. kleder. Omdat deze meervoudsvorm weinig voorkwam, en uit de context vaak niet viel op te maken of het enkelvoud of meervoud was, ontstonden nieuwe meervoudsvormen met de uitgang -en, namelijk klederen en kleden. Gedurende lange tijd bestonden klederen en kleden naast elkaar zonder betekenisonderscheid, maar tegenwoordig is alleen kleden het meervoud van kleed, terwijl kleren, dat door d-syncope uit klederen is ontstaan, uitsluitend de betekenis ‘lichaamsbekleding’ heeft bewaard.
kleren zn. ‘lichaamsbekleding’. Mnl. mommen in vrouwen cleeren ‘vermommen in vrouwenkleren’ [1437; MNW vermasselen]. Door d-syncope ontstaan uit klederen, het meervoud van kleed ‘kledingstuk’. Als simplex is dit het gewone woord voor ‘kledingstukken’, maar in samenstellingen is het woord in het NN teruggedrongen door de homonymie met → klere-, bijv. in klerebedrijf ‘waardeloos bedrijf’, en vervangen door kleding: kledingbedrijf. ♦ kleden ww. ‘voorzien van lichaamsbedekking’. Mnl. cleden ‘id.’ [1240; Bern.]. Afleiding van kleed. ♦ kleding zn. ‘lichaamsbedekking van de mens’. Mnl. broit ... spise inde ... kledinche ‘brood, voedsel en kleding’ [1270-90; VMNW]. Afleiding van kleden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kleren* [kleding] {1521} samengetrokken < klederen (vgl. kleed). In de uitdrukking dat gaat iemand niet in zijn koude kleren zitten [dat laat iemand niet koud] {1656} betekent koude ‘buitenste’, dus wil de uitdrukking zeggen dat de zaak niet aan de buitenkant stopt, maar het hart raakt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Klere snw. (mv.) Segsw.: Die klere maak die man (en wie dit het, die trek dit aan). – Die laaste gedeelte is nie, soos kan gedink word, ’n Afrikaanse uitbreiding nie. Dit kom reeds baie vroeg in Nederlands voor en is nog in enkele dialekte bekend. Sien Stoett 1169. Eckart 269: Dat Klêt ziert de Mann, de ’t hett, de treckt ’t an. O(st-friesland).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kleren maken de man (vert. van Latijn vestis virum reddit/facit)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kleren ‘kleding’ -> Zweeds kläder ‘kleding’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kleer, klėėr ‘kleding, jas, gewaad’; Skepi-Nederlands kler ‘kleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kleren* kleding 1521 [WNT voering II]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1071. Iets over (of langs) zijn kant laten gaan,

d.w.z. zich iets, een beleediging, een onaangename bejegening niet aantrekken; mnl. iet over sine side laten gaen; bij Campen, 44: hy en salt over syn boort niet laten gaan (ook op bl. 126). Vgl. Gew. Weeuw, III, 32 en Van Effen's Spect. XII, 98: Dat ik verre van door een kregel en twistziek humeur bezielt te zyn meer over myn kant kan laten gaan als meenige politiquen; Harrebomée I, 380; Ndl. Wdb. VII, 1319. De eig. beteekenis zal wel zijn: iets bij zich neer laten glijden, zoodat het nauwelijks de koude kleeren raakt. Bij Poirters, Mask. 226: Alles over zich laten gaan; Rutten, 307 b: iets laten over zijnen kop gaan, toegevend zijn; bij Harreb. II, 124 b: hij laat alles over zijn neus gaan (?); fri. ik lit dat mar stil by de rech (rug) delglide (neerglijden). Syn. iets langs zijne koude kleeren laten glijden (afglijden, loopenNdl. Wdb. V, 72; vgl. hd. Alle vermahnungen gleiten an ihm ab.).

1169. De kleeren maken den man,

d.w.z. naar zijne kleeding wordt men beoordeeld, geschat, geacht (vgl. Rose, 2086: Scone cledren temen sere ende trecken vorwaert haren here), eene meening, die de Grieken ook waren toegedaan en die de Romeinen uitdrukten door cultus addit hominibus auctoritatem (Otto, 100). In onze taal is dit spreekwoord aangetroffen bij Goedthals, 26: De cleederen maken den man, diese heeft doese aen, la robe refaict l'homme; les plumes font l'oiseau beau; bij Campen, 117: die cleederen maecken den man; Servilius, 80*: tcleedt is de man, diet heeft trecket aen; Sartorius III, 2, 38: de cleer die syn de man, diese heeft, die trectse an; Spieghel, 295; zie verder Tijdschrift XXI, 202: men seecht: die cleedinghe is die man; Poirters, Mask. 70; Vondel, Virg. I, 16: Het spreeckwoort zeit, dat het kleet den man maeckt; Coster, 481, vs. 241; 27, vs. 521; Suringar, Erasmus, CCXXXVI; Halma, 267; Sewel, 393; Harreb. I, 411; Weiland: de rok maakt den man; Afrik. die klere maak die man; Antw. Idiot. 1887: de kleeren maken den man en de pluimen den vogel; Teirl. II, 140: de kleere' maken de man en die z'heet doe z'an. In vele talen is dit spreekwoord bekend; mgri. ευειμαντος εντιμος, ανειμαντος ατιμος, goed gekleed eerlijk, slecht gekleed oneerlijk; hd. das Kleid macht den Mann; Kleider machen Leute (zie Wander II, 1377; 1378); fr. l'habit fait l'homme; on honore communément ceux qui ont beaux habillements; eng. fine feathers make fine birds, dat te vergelijken is met het fri.: moaije fearren meitse moaije fûgels; oostfri.: 't kled mâkd de man, de ên hed, de trek 't an.Vgl. fr. les belles plumes font le bel oiseau.

1170. Dat gaat me niet in de (koude) kleeren zitten,

d.w.z. dat pakt of tast mijne gezondheid of mijn gevoel aan, dringt door tot in mijn binnenste, mijn hart. Vgl. Asselijn, bl. 208: 't Zyn dingen die niet in de Kleeren gaan sitten, maar aan 't Hart raken; Tuinman I, nal. 25: ‘Het gebruik eigent dit spreekwoord ook toe op iets, dat de ribben vermagert. Men zegt daar van mede, Dat gaat niet in de kleêren zitten, want dat raakt het herte’; Sewel, 393: Dat gaat in de kleeren niet zitten (dat krenkt het lichaam), that does not touch only the skin but the very heart; Harreb. I, 411; Afrik.: dit raak my koue klere nie; M.z.A. 125: Dat verblijf in Indië is mij niet in de kleeren gaan zitten; Slop, 195: Och ie begriept, ziekigheid gaot 'n mensch niet in de kleeren zitten; Nkr. VII, 15 Maart p. 2: Die jarenlange ellende blijft je niet in je kleeren zitten; Sjof. 35: En 't ging je niet in je kleeren zitten, ze voelde zich met den dag slapper worden; Slop, 242: Tien jaartjes (in de gevangenis) gaat je niet in je kouwe kleeren zitten, wat jij? Prikk. V, 28: 't Is ondertusschen een lamme geschiedenis om aan dien jongen te vertellen - zoo iets gaat je niet in je kouwe kleeren zitten; Lev. B. 134. Ook in het Oostfri. dat ferdrêt blift mi nêt in de kolle klêr sitten (Dirksen I, 28).

1259. Dat raakt mijn koude kleeren (niet),

d.w.z. daar trek ik mij in het geheel niets van aan; dat laat mij koud; dial. ook dat komt niet aan mijn japonnaise; fri. dat komt my net oan 'e kâlde klean; hd. das kommt mir nicht an die kalten Kleider; nd. dat kummt mi nich an mîn kolle Klêr (Eckart, 269). Eig. dat raakt mijn buitenste kleeren (niet), dus in 't geheel niet mijn hart; vgl. iets langs zijne koude kleeren laten (af)glijden, zich een onaangename bejegening niet aantrekken (o.a. Jord. 126A. Jodenh. II, 13: 't Gaat me zoo langs me kouwe kleere.), iets over zijn kant laten gaan. In de 16de eeuw bij Sartorius I, 4, 93: die praet komt hem aen sijn koude klederen niet, nostrates ajunt sermonem ne superas quidem aut frigidas vestes penetrare (ook I, 9, 7). De, uitdr. komt sedert de 17de eeuw dikwijls voor, o.a. bij Coster, 21 vs. 159; 487 vs. 416; 511 vs. 473; Bank. II, 2; 245; 334; H. Dullaert, Ged. 62:

Geveinsde Farizeen, verdraaide schriftverstanden,
Wier wetspreuk, weits gezoomt rondom de tabbaardranden
Bewyst dat u de Wet, zo zielnut, zo volmaakt,
Niet eens aan 't harte, ô smaad! ô schanden!
Maar pas aan 't uiterste der koude kleedren raakt.

Huygens V, 167:

Aen lichte Griet.
'Ten raeckt Jans koude kleeren niet,
Wat hij aen syn licht wijfje siet:
My dunckt hij heeft dat wel.
'Traeckt, niet syn' koude kleeren, Griet,
Maer 'traeckt uw warme Vell.

Zie verder Brederoo I, 28, 407; Antonides II, 282; Focquenbr. Eneas 84, 37; C. Wildsch. VI, 65; 117; Langendijk, Wederz. Huw. Bedr. vs. 1421; Tuinman, I, 178; Halma, 267; Sewel 393; Harreb. I 411; O.K. 166; Potgieter I, 2: Jan is voor lof en voor laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens meer aan zijne koude kleêren raken - laat staan aan zijne onderzielVgl. Vondel, Een Otter in 't Bolwerck, vs. 63: Dit speulen raeckt mijn ongdersiel (onderlijfje, dus: de warme kleeren, hier voor: het diepste der ziel).; Schoolm. 124; Nkr. II, 27 Mei p. 2; III, 1 Mei p. 6; V, 10 Juni p. 4; VI, 28 Dec. p. 2; VII, 26 Juli p. 5; Jord. 357: Ze zag wel dat Neel zich heel moeilijk bewoog, maar dat raakte haar de koude kleeren.(Aanv.) Vgl. nog De Vrijheid, 28 Mei 1924, 2de bl. p. 1 k. 1. Hoe langer ik zijn (Minister) optreden volgde, hoe meer starre bewondering ik kreeg voor de schier bovenmenschelijke onaandoenlijkheid, waarmede hij alle critiek langs z'n jaquetje liet afdruipen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut