Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kleppen - (een kleppend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klappen ww. ‘een ploffend geluid geven’; (BN) ‘babbelen, kletsen’
Onl. als eerste lid in de toenaam van gerard claptant ‘... die klappertandt’ [1159, kopie 14e eeuw; Gysseling-Debrabandere 1999]; mnl. clappen ‘praten, babbelen’ [1240; Bern.], ‘een ploffend geluid geven’ in eert geclapt is ‘voordat de klok geslagen heeft’ [ca. 1346; MNW], so clappen hem die clauwen ‘dan maken hun hoeven een ploffend geluid’ [ca. 1486; MNW], ‘doorvertellen, verklappen’ in ghy en meucht niet clappen dattet sulcken man u gheseyt heeft ‘u mag niet doorvertellen dat zo'n man dat u gezegd heeft’ [1602; WNT], ‘geluid maken door slaan’ in 't clappen vande swiep ‘het klappen van de zweep’ [1612; WNT].
Klanknabootsend woord.
Mnd. klappen ‘klappen’; ohd. klaffōn, klapfō ‘een hard geluid maken’ (mhd. klaffen ook ‘babbelen’, nhd. klaffen ‘wijd openstaan’); me. clappen ‘id., babbelen’ (ne. clap); on. klappa ‘kloppen, zacht klappen’ (nzw. klappa ‘slaan; strelen’); < pgm. *klappōn- ‘een klappend geluid afgeven’. Daarnaast pgm. *klapjan- ‘een klappend geluid doen afgeven’, waaruit: mnl. cleppen, zie → klep; mnd. kleppen (door ontlening nhd. kleppen); nhd. gewest. kläpfen; ofri. kleppa; me. cleppen. Zie ook de vormvariant → kloppen.
Hierbij ook het nomen actionis pgm. *klappa- ‘het klappen; een klappende handeling; slag e.d.’, waaruit: mnl. clap (zie onder); nnd. klap (waaruit door ontlening nhd. Klapp); ohd. klapfa (nhd. gewest. Klapf); on. klapp.
In het Middelnederlands was de belangrijkste overdrachtelijke betekenis van dit woord ‘praten, babbelen’, die nog in de Belgisch-Nederlandse dialecten voorkomt (het NN heeft de variant kleppen). De hieruit in het Vroegnieuwnederlands ontstane betekenis ‘doorvertellen’ komt nog wel in de standaardtaal voor in de uitdrukking uit de school/biecht klappen ‘iets bekendmaken wat geheim had moeten blijven’ en in de afleiding → verklappen. Ook bepaalde vogels klappen. Zie ook → klikken.
klapperen ww. ‘herhaaldelijk klappen’. Mnl. in si clapperden haer tanden van grote couwe ‘ze klappertandden door de strenge kou’ [1540; MNW]. Frequentatief van klappen. ♦ klap zn. ‘ploffend geluid; slag met de hand’. Mnl. clap ‘voorwerp dat een klappend geluid maakt’ in dat men ... die clap vander koornmarct niet eer slaen en sall dan ‘dat men de klepper van de korenmarkt (waarmee men de markt inluidt en afslaat) niet eerder zal doen klinken dan’ [1445-55; MNW], ‘gebabbel, geklets’ [1471; MNW]; vnnl. klap ‘ploffend geluid’ [1599; Kil.], ‘slag met de hand (op iemand)’ in haer een clap gegeven had ‘haar had geslagen’ [1690; WNT]. Afleiding van klappen. In de betekenis ‘babbel, praat’ komt het voornamelijk in het BN voor, maar de samenstelling achterklap ‘geroddel’ is ook NN.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kleppen* [een kleppend geluid maken] {cleppen ca. 1346} middelnederduits kleppen, oudfries kleppa, oudengels clæppan, umlautsvorm van klappen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kleppen ww. is een klinkervariant van klappen. Daarnaast nog het iteratief: klepperen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klap znw., mnl. clap m. (v.) “gebabbel, klepper (voorwerpsnaam)”. = ohd. claph in ana-claph m. “het botsen” (: nhd. klaff), nhd. klapp (oorspr. ndd.) m. “klap (geluid)”, on. klapp o. “slag”. Van klappen ww., mnl. clappen “klappen, klapperen, kleppen, kloppen, babbelen”. Verwant resp. identisch met ohd. chlaphôn, klaffôn “klapperen, een hard geluid geven” (mhd. klaffen ook “babbelen”; nhd. klaffen), mnd. klappen “een hard geluid geven, (ook klaffen) babbelen”, os. klapen “klapperen” (klapunga v. “tandengeklapper”), ofri. bi-klappia “beschuldigen”, meng. clappen “klappen, kloppen” (uit ’t Noorsch? eng. to clap), on. klappa “slaan, kloppen”. Met umlaut mnl. cleppen “kleppen, ratelen”, cleppe (m. v.?) “klep, klap, ratel” (nnl. kleppen, klep) = mnd. kleppen “kleppen, luiden”, kleppe v. “deurklink”, owfri. kleppa “luiden, geluid geven”, ags. clæppan “kloppen”; vgl. ook laat-mhd. klepfern “klepperen” = ndl. klepperen (sedert Kil.). Onomatopoëtische woordfamilie, in associatie getreden met die van klak. Zie klepel. Vgl. ook kloppen. — Klap “slag” ook in eensklaps bijw., nog niet bij Kil. Bezwaarlijk een volksformatie. — klapperen ww. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd. — klappertanden ww.: Kil. kleppertanden, mnl. clippertanden, cliptanden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kleppen ono.w., van klep of, met e = ä, rechtstreeks van klap.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kleppen* een kleppend geluid maken 1346 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut