Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kleinzerig - (angstig voor pijn)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kleinzeerig bnw., nog niet bij Kil. Van klein en zeer I znw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kleinserig b.nw.
1. Wat maklik pyn voel of bang is om pyn te ervaar. 2. Liggeraak, fyngevoelig.
Uit Ndl. kleinzeerig (1602 in bet. 1, 1888 in bet. 2), 'n samestellende afleiding met -ig van klein en zeer, dus lett. 'vir elke klein seer gevoelig'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

klein’zerig (ook:) lichtgeraakt, overgevoelig; kleingeestig. Dan begon de tocht naar de Heiligeweg, waar de stallen, ook van varkens waren. Tussen haakjes de omwonenden klaagden niet over de stank. Men was in die tijd niet kleinzerig (Waller 82). En toch niet kleinzerig. Ik bedoel dat zij zich door attenties van andere meisjes [aan haar vriend] niet liet verleiden tot goedkope jaloezie (Dobru 1968b: 29). - Etym.: In AN veroud., wel gebr. in Z.-Nederland.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kleinzerig ‘bang voor pijn’ -> Amerikaans-Engels dialect † klainzaric ‘slordig; klagerig’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut