Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klei - (zeer fijne, vochthoudende grondsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klei zn. ‘zeer fijne, vochthoudende grondsoort’
Onl. kleia ‘klei’ in toponiemen: Clehiham ‘Kleiem (bij Brugge, West-Vlaanderen)’ [975, kopie 11e eeuw; Gysseling 1960], Cleiberga ‘Kleiberge (bij Brugge)’ [1089; Gysseling 1960]; mnl. clei ‘klei, leem’ in de samenstelling cleylant ‘kleiland’ [1344; MNHWS], ‘klei als handelswaar’ in II schoelden cleys ‘twee scheepsladingen klei’ [1361-66; MNW].
Mnd. klei; nhd. Klei (ontleend aan mnd.); ofri. klāi (nfri. klaai); oe. clæg (ne. clay); alle ‘klei, leem e.d.’; on. kleggi ‘daas, paardenvlieg’ (nde. klæg); < pgm. *klaija-. Daarnaast met dezelfde betekenis maar met andere uitgang pgm. *klaima- (met afleiding *klaim-jan- ‘besmeren, doen kleven, pleisteren’) en *kleit-. Hieruit zijn respectievelijk ontstaan: mnl. cleem [1399; MNW] (eerder al in het toponiem cleemputte ‘leemput’ [1281; VMNW]), oe. clām (ne. dial. cloam, zie ook → klam); de werkwoorden mnl. clemen [ca. 1413; MNW], mnd. klemen, ohd. kleimen, oe. clǣman (ne. dial. cleam), nfri. klieme ‘smeren, doen kleven’, on. kleima; en mnl. clijt [1297; VMNW], West-Vlaams klijte.
Verwant met: Grieks gloiós ‘kleverig vocht’; Lets glìzda ‘klei’; Russisch glej ‘id.’; < pie. *gleiH-, gloiH- ‘kleven’ (IEW 362-363, LIV 190). Met andere achtervoegsels en ablauttrappen horen hierbij bovendien: pgm. *kleiban-, *klibēn-, *klibōn- ‘kleven e.d.’ (zie → beklijven, → kleven), *kliþ- ‘klis’ (zie → klit); Latijn glūten ‘lijmstof, gom’ (zie → gluten); Grieks glínē ‘kleverige substantie’; Litouws gléima ‘slijm’, Lets gliemas ‘kleverige vloeistof’, Litouws glitùs ‘kleverig’; Proto-Slavisch *glína- ‘klei’ (Russisch glína).
Bij deze wortel horen ook Litouws dial. gliẽti (1e pers.ev. glejù) ‘besmeren’, en met een n-achtervoegsel *glin(e)H-: het sterke werkwoord pgm. *klinan- ‘besmeren’ (ohd. klenan) en het causatieve zwakke werkwoord pgm. *klinjan- (on. klina ‘besmeren, dichten’, nno./nde. kline); Oudiers -glen ‘blijven kleven’, Welsh glyn- ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klei* [grondsoort] {cleylant [kleiland] 1344} oudsaksisch klei, oudfries klai, oudengels clæg, deens klæg; buiten het germ. latijn gluten [lijm], grieks gloios [gebruikte vuile olie], glichesthai [kleven aan], russisch glen' [vochtigheid], van een stam met de betekenis ‘kleven’, waarvan ook kleed en klein stammen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klei znw. v., mnl. clei, mnd. klei (nhd. klei), ofri. klāy, oe. clæg (ne. clay) < germ. *klaija-. — gr. glía ‘lijm’, gloiós ‘kleverig vocht’, russ. glej ‘klei’, van idg. wt. *glei. — Ofschoon deze wortel in het bijzonder ‘kleven, smeren’ betekent, is zij toch een afl. van de wt. *gel ‘samenballen’ (waarvoor zie: kalf).

Van de wt. *glei heeft het germ. verschillende afleidingen (IEW 362-4),
met dentaal en wel
met t zie: klis
met d zie: klit
met bh zie: kleven, klif, klaver, klimmen
met m vgl. mnl. cleem, oe. clām ‘klei, leem’, mnl. mnd. klēmen, ohd. chleimen, oe.clæman, noorw. kleima ‘smeren’, vgl. lit. gléimės ‘slijm’
met n vgl. ohd. klenan ‘kleven, smeren’ en on. klīna ‘besmeren’, vgl. iers glenim ‘adhaereo’
met w vgl. nhd. klee ‘klaver’ en kleie ‘zemelen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klei znw., mnl. clei o. (m.?). = mnd. klei m. (nhd. klei), ofri. klây (m.?), ags. clæ̂g (m.? eng. clay) “klei, leem”, germ. *klaija-. Met ablaut noorw. dial. kli o. “leem”. Verwant zijn gr. gloiós “kleverig vocht”, gliā “lijm”, russ. glej “klei”. Suffixale verlengingen van gli- hebben wij in: idg. gli-t-, ags. æt-clîðan (zie kleed), lat. glis (gen. glitis) “humus tenax”, glûs, glûten (gloi-t-) “lijm”, lit. glitùs “glad, kleverig”, alb. ngˊit “ik kleef vast, lijm”; zie ook klis, — idg. gli-n-: zie klein, — idg. gli-s-, mhd. (md.) klîster m. “aanklevend voorwerp” (nhd. kleister), mnd. klîsteren “lijmen, stijven”, vla. klijster “vlek van modder”, gr. glískhros “taai, glibberig”, — gli-d(h)-, lett. glidêt “slijmerig worden”, Vgl. nog met primaire nominaalsuffixen: mnl. cleem m. (o.) “klei, leem”, ags. clâm m. “id., pappleister”, clæ̂man, mnl. mnd. klêmen, ohd. chleimen, noorw. kleima “smeren”, (lit. glėmės “taai slijm” met idg. ê < êi?), — en ohd. klîwa, klîa (ook os.?) v. (nhd. kleie) “afgemalen korenhulzen”, mnd. klîe, klîge, mnl. clîe v. “id.”, lett. glîwe “slijm”. Zie kleven en ook klaver.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klei. Bij mhd. klîster enz. sluit zich wsch. ook aan Kil. klister, kleister ‘bol (van planten)’, nnl. klister, waarnaast kleister (vla. ook klester). Kil. geeft ook klister = ‘druif’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klei v., Mnl. clei + Ndd. klei, Hgd. klei, Ags. clǽg (Eng. clay) + Gr. gloiós = kleverig vocht, gliá = lijm, Lat. glus = lijm, Ru. glej = klei, Osl. glissa = leem, Lit. glitùs = kleverig: wrt. glei̯.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Klei, van den Germ. wt. klai, kli, Idg. glei = kleven; vgl. ’t Gr. glia, Lat. glus = lijm, en ons klis en klit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klei ‘grondsoort’ -> Duits Klei ‘grondsoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect cloïa ‘kleiachtig grondbed, dichtbij rotsen’; Berbice-Nederlands klei ‘grondsoort’; Papiaments klei ‘grondsoort’; Surinaams-Javaans klèi ‘grondsoort; van klei’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klei* grondsoort 1344 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut