Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klaploper - (profiteur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klaplopen ww. ‘op andermans beurs teren’
Mnl. metter clappe gaen ‘met de leprozenklepper lopen’ [1411; WNT klap II]; vnnl. langs de wegen ... gaan, als op de lazrusklap ‘bedelend als een leproos’ [1665; WNT lazarus]; nnl. met de klap loopen ‘bedelen; slinks trachten te verwerven’ [1710; Halma NF], op de klap of klep loopen ‘voedsel bietsen, parasiteren’ [1710; WNT], klaploopen is eene ... beklagenswaardige melaatschheid der Studentenmaatschappij [1841; WNT student].
Gevormd uit klap in de betekenis ‘klepper, ratel, voorwerp dat een klapperend geluid maakt’, zie → klappen, en → lopen, als verkorting van de vaste uitdrukking op/met de klap lopen/gaan, oorspr. gezegd van melaatsen of leprozen die verplicht waren met een klepper rond te lopen om voorbijgangers te waarschuwen. Later werd de betekenis algemener ‘bedelen’. Mogelijk ontstond bij deze uitdrukkingen eerst de afleiding klaploper (zie onder), waarbij later de nieuwe infinitief klaplopen werd gevormd.
klaploper zn. ‘profiteur, bietser’. Vnnl. klaploper ‘profiteur’ [1699; Claes 1997]. Afgeleid met -er (zie → -aar) van het zn. klap en → lopen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klaploper* [profiteur] {1768} lett.: iem. die met een middelnederlands klapspaen, d.w.z. een ratel, loopt. In de Middeleeuwen moesten leprozen hun nadering op deze wijze aankondigen. Zij waren paria's en werden gemeden, maar men zette ook wel voedsel en drank voor hen neer → klikspaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klaplooper m., = 1 melaatsche die met een klap loopt om van zijn komst te verwittigen, 2. bedelaar, 3. tafelschuimer.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

klaploper: iemand die op andermans kosten leeft; profiteur, parasiet*. Sedert ca. 1699. In de negentiende eeuw een beroemd studententype van Klikspaan (pseudoniem van Johannes Kneppelhout, chroniqueur van het studentenleven).

Jy, klaplooper, voort! of wy krijgen ’t te kwaad. (Gerrit van de Linde, De Gedichten van den Schoolmeester, 1859)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Klaplooper, eig. iemand die met den leprozenklap loopt; figuurlijk iemand die bedelt, die zonder werken op andermans zak aan den kost komt. Degenen, die met melaatschheid, lazarij of leprozij besmet waren, mochten aalmoezen ophalen; zij deden dit met een klappend toestel, om te waarschuwen dat een besmette naderde, en waarmee zij het geld op eenigen afstand konden in ontvangst nemen. Komt in ’t mnl. niet voor; wel klap voor lazarusklep.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klaploper ‘takel op schip’ -> Fries klaploper ‘takel op schip’; Deens klapløber ‘touw dat op een andere loper gebruikt wordt’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors klapploper ‘touw dat op een andere loper gebruikt wordt’; Zweeds klapplöpare ‘uiteinde van een touw dat bij een takel hoort’ (uit Nederlands of Duits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klaploper* profiteur 1699 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut