Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klant - (afnemer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klant zn. ‘afnemer’
Mnl. calant ‘kerel’ als toenaam van Johannes Calant [1321; Debrabandere 2003], in ghine sijt geen calant Loos fel no ongewe[t]ich ‘jij bent geen onbetrouwbare, ruwe of onwetende kerel’ [1340-60; MNW-R], goet calant ‘beste kerel’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. calant ‘afnemer, klant’ doen wassic een van u beste calanten, die u craem versochte ‘toen was ik een van uw beste klanten, die uw winkel bezocht’ [ca. 1530; MNW], klant ‘id.’ in haer beste klanten [1612; iWNT kaas].
Ontleend aan Picardisch kalant, hetzelfde woord als Frans chalant (Nieuwfrans chaland), dat aanvankelijk ‘beschermer’ [1174; TLF], later ook algemener ‘makker, collega’ [1250-1300; Rey], maar pas in het Middelfrans ‘klant’ [1548; Rey] betekende. Dit Franse woord is het zelfstandig gebruikte teg.deelw. van Oudfrans chaloir ‘zich bekommeren, warm lopen’ (in het Nieuwfrans verouderd), eerder ook al ‘van belang zijn’ [9e eeuw; TLF] en ontleend aan Latijn calēre ‘zich druk maken’, letterlijk ‘warm zijn’, verwant met → lauw ‘halfwarm’. Zie ook → nonchalant.
Het jongere, niet-verwante leenwoord → cliënt betekent hetzelfde als klant, maar wordt vooral gebruikt voor afnemers van diensten, bijv. die van een bank, advocaat, verzekeringsmaatschappij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klant [cliënt] {caland, calant, clant [klant als afnemer en als jongeman] 1350} < picardisch calant, nevenvorm van frans chaland, teg. deelw. van chaloir [sterk geïnteresseerd zijn] < latijn calēre [warm zijn, opgewonden zijn] (vgl. nonchalant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klant znw. m., mnl. calant < pikard. caland = fra. chaland, het deelw. van chaloir ‘zich om iets bekommeren’ < lat. calāre ‘warm zijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klant znw. Met uitval van den klinker vóór den toon (vgl. bij borat) uit mnl. calant m., dat op een pic. vorm van fr. chaland “klant” teruggaat. Ook in ’t Ndd. en Eng. ontleend. Chaland wordt verklaard als een deelw. van chaloir “zich veel aan iets laten gelegen liggen”, oorspr. “warm zijn” < lat. calêre.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klant m., Mnl. callant, gelijk Eng. callant (= jongen), uit Fr. chaland, teg.d. van chaloir = belang stellen in, van Lat. calere = warm zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kalant s.nw.
Geslepe vent of vabond.
Uit Ndl. kalant (1898 - 1920). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Ndl. kalant uit Pikardies calant uit Fr. chaland, die teenwoordige dw. van chaloir 'sterk geïnteresseerd wees', met lg. uit Latyn calere 'warm, opgewonde wees'.
Vgl. klant.

klant s.nw.
Iemand wat min of meer gereeld van iemand se dienste gebruik maak of iets by hom koop.
Uit Ndl. klant (Mnl. caland, calant, clant). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. klant uit Pikardies calant uit Fr. chaland, die teenwoordige dw. van chaloir 'sterk geïnteresseerd wees', met lg. uit Latyn calere 'warm, opgewonde wees'.
Vgl. kalant.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kalant: “slimmerd; skelm”, in Afr. doeb. v. klant, terwyl kalant en klant in Ndl. wv. in gunstige en ongunstige bet. is, maar Afr. ondersk. min of meer soos Ndl. tussen klant en kliënt (WAT s.v. kalant) – die vorme kalant/klant uit NFr. caland/chaland en kliënt uit Fr. client uit Lat. cliens (gen. clientis), “kliënt; afhanklike; volgeling”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

klant (Picardisch calant)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klant ‘cliënt; geregelde bezoeker; persoon’ -> Fries klant ‘cliënt; geregelde bezoeker; persoon’; Engels callant ‘jongen, knaap’; Schots callan, calland, cullan ‘cliënt; kameraad,vent; vertrouwelijke term voor: oudere man’; Duits dialect Klant, Kulante ‘cliënt; knaap, gezel, kerel’; Sranantongo kranti ‘cliënt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klant cliënt 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut