Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klamp - (bindlat, -hout of -ijzer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klamp zn. ‘bindlat, -hout of -ijzer’
Mnl. in de samenstelling clampbladen ‘verbindingsbladen?’ [1431; MNW schaelgeblat], clamp ‘haak, kram’ in clampen aen die doir ‘deurhengsels’ [1457; MNW], speld ... of clamp of haicksken, dair mit men dat eyn op dat ander hechtet ‘een speld of klamp of haakje, waarmee men het een op het ander vastmaakt’ [1477; Teuth.]; vnnl. klampe, klamme ‘haak, nagel’ [1599; Kil.].
Mnd. klampe (ontleend als nhd. Klampe); nhd. dial. Klampfe; on. klöpp (nno. klamp ‘klamp: blok aan het been’); < pgm. *klampa-, *klampō-. Daarnaast de nevenvormen pgm. *klamba-, *klambō-, waaruit: vnnl. klam (zeldzaam); mnd. klamme; ohd. klam (vanwaar nhd. Klamm ‘engte, bergkloof’), klamma (mhd. klamme); oe. clamm (ne. clam). Met achtervoegsel bovendien mhd. klamere, klammer (nhd. Klammer ‘haak’); on. klömbr (nno. klomber).
Al deze woorden duiden diverse werktuigen of voorwerpen aan die dienen om iets vast te knijpen, te hechten of vast te houden. Zie ook → klemmen. Een andere mogelijkheid is om niet van de functie maar van het voorwerp uit te gaan, namelijk een stuk hout (of metaal). In dat geval zou het woord te verbinden zijn met → klomp, hetgeen qua vorm waarschijnlijker is. In het Noord-Germaans komen alle drie de fasen van de ablaut voor, bijv. nzw. klimp ‘klont’ (i < *e), klamp ‘klamp, stuk hout om iets vast te zetten’ (a < *o) en klump ‘klomp, klonter, brok’ (met nultrap-u); zonder nasaal komt deze stam ook voor in on. klubba ‘knots, knuppel’ dat in het oe. ontleend is en zich ontwikkeld heeft tot → club.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klamp* [belegstuk, hooischelf] {clamp(e) [haak, kram, klamp, klauw, hooischelf] 1457} middelnederduits klampe, oudnoors klǫpp [balkbrug]; ablautend met klomp.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klam 1 znw. m. v. ‘spie, keg, werktuig van houtzagers’, mnd. klamme, ohd. klamma (nhd. klamme) ‘greep, klauw, boei’ en daarnaast mhd. klam ‘kramp, beklemming, boei’, nhd. klamm ‘rotskloof’ (eig. ‘wat samengeperst is’), oe. clom, clam ‘kram’. — Zie: klemmen en klimmen en voor de hele woordgroep: kalf.

Als idg. parallellen zijn te noemen lat. glomus ‘spijsbal; kluwen’, oiers glomar ‘toom, knevel’ (IEW 360).

klamp znw. m. v., mnl. clampe v.? ‘klamp, haak’, mnd. klampe v. ‘klamp, vonder’ (> nhd. klampe ‘klamp’), beiers klampfe ‘klamp, klem (van timmerlieden), on. klǫpp v. (< germ. *klampō) ‘brug van balken’. — Daarnaast staan in ablaut: nnd. klimpe ‘heuvel’, oostfri. klimpe ‘vonder’, on. kleppr (< germ. *klimpa) ‘klomp’, nnoorw. klepp ‘klomp, ronde bergtop’, vgl. ook mhd. klimpfen ‘samendrukken’ en verder klomp. — Daarnaast staan met media: on. klǫmbr ‘klem’, klumba ‘knots’ en verder klimmen. Voor de gehele woordgroep zie: kalf. — > fra. clamp ‘stuk hout tegen mast of ra’ en clampe ‘soort spijker van wagenmakers’ (Valkhoff 90); > ne. clamp (eerst sedert de 15de eeuw); > nhd. dial. klampe in de Brandenburgse Mark (vgl. Teuchert Sprachreste 261-2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klamp znw., mnl. clampe (v.?) “klamp, haak”. = bei. klampfe v. “klamp, klem (door timmerlui gebruikt)”, mnd. klampe v. “klamp, vonder” (> nhd. klampe “klamp”), on. klǫpp v. “vonder, bruggetje”. Met ablaut mhd. klimpfen “krachtig samentrekken, samendrukken”. Bij deze bet. kan zich zoowel die van klamp aansluiten (de bet. “vonder” is secundair) als die van mnl. nnl. dial. clamp(e) “hoop hooi” en die van klomp; zie aldaar en vgl. ook nog het ablautende oostfri. klimpe “vonder”, ndd. klimpe “heuvel”, on. kleppr (*klimpa-) m. “klomp, rotsachtige hoogte”. De germ. basis klimp-, klamp-, klump- is een verlenging van de basis van klemmen; bij de woorden voor “heuvel” zou men ook aan een directe combinatie met klimmen kunnen denken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klamp m., + Hgd. klampfer, Eng. clamp, On. klampi: verwant met klem. Uit het Germ. komt Fr. clamp.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Klem, van den Germ. wt. klam = samendrukken; een andere afl. is: klamp = balk om te verbinden, samen te houden; vastklampen. Ook: kleumen = stijf van koude zijn, in de bet. van: krampachtig samentrekken, n.1. van koude.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klamp ‘hooischelf; stapel’ -> Engels clamp ‘stapel, hoop’.

klamp ‘belegstuk, steunlat, sluithaak’ -> Engels clamp ‘klem, kram’; Duits dialect Klampe ‘(houten) verbindingsstuk, voetbrug over een sloot’; Frans clamp ‘klemtang’; Pools klamp ‘medisch gereedschap’; Russisch klámpa, klámka ‘stuk hout voor een of ander doel tegen een groter voorwerp vastgemaakt’; Maltees klamp ‘klem, kram’ ; Indonesisch kelam ‘belegstuk, sluithaak’; Ambons-Maleis klam ‘sluithaak; echo’; Javaans kelam ‘riem of band van metaal’; Madoerees kēllam ‘belegstuk’; Singalees kalampa-ya ‘klem’; Tamil dialect kil̠āmpu ‘steunlat’; Sranantongo krampu ‘houten of metalen verbindingsstuk’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut