Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klagen - (zijn misnoegen of smart uiten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klagen ww. ‘zijn misnoegen of smart uiten’
Onl. klagon ‘klagen’ in thu clagost, thaz synagoga so unbequama sich bekered ‘je klaagt, dat de synagoge zich zo aarzelend bekeert’ [ca. 1100; Will.], the pínen her niet ne clagodo ‘over de kwellingen klaagde hij niet’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. claghen ‘beklagen, klagen over’ in si clagede luttel den lif ‘ze klaagde nauwelijks over het leven’ [1200; VMNW], ‘een klacht uiten, zich beklagen’ in die ouer iemene clagen wille ‘wie zich over iemand wil beklagen’ [1236; VMNW].
Os. klagon (mnd. klagen en door ontlening nzw. klaga); ohd. klagōn, klagēn (nhd. klagen); ofri. klagia (nfri. kleie); alle ‘klagen’; < pgm. *klagōn-, afleiding van het zn. *klagō- ‘klacht, aanklacht’, waaruit: os. klaga (mnd. klage); ohd. klaga (nhd. Klage); ofri. klage.
Verdere herkomst onzeker. Het woord is uitsluitend continentaal-West-Germaans en heeft ook buiten het Germaans geen met zekerheid verwante woorden. Verband met Sanskrit gṛha- ‘klagen’ en Avestisch gərəza- ‘klagen’ (Nieuwperzisch gila ‘klacht’), uit pie. *g(w)eRǵh- (LIV 187), is twijfelachtig. Misschien is Middeliers glám (< *glak-ma-) ‘schreeuwen’ wel verwant. Bjorvand/Lindeman veronderstellen klanknabootsende oorsprong.
klacht zn. ‘uiting van ergernis’. Mnl. clachte in of yemen clachte up yement wilde doen teekenen daer ‘of iemand zijn beklag over een ander wilde laten noteren’ [1350-1400; MNW-R], dese clachten quamen alsoe groot dat ‘er kwamen zoveel van deze klachten binnen, dat ...’ [1432; MNW-R]. Het woord is in het Middelnederlands nog zeldzaam en bestaat verder alleen als Middelnederduits klacht; een reconstructie als Proto-Germaans *klah-ti- is dan ook weinig zinvol. Het woord is wrsch. gevormd naar analogie van → dracht bij → dragen, → jacht 1 bij → jagen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klagen* [droefheid uiten] {clagen 1237} oudsaksisch, oudhoogduits klagon, oudfries klagia; buiten het germ. oudindisch garhati [hij beschuldigt, beschimpt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klagen ww., mnl. clāghen, os. klagon, ohd. chlagēn, chlagōn, ofri. klagia. Het zwakke ww. is afgeleid van het znw. mnl. clāghe, os. klaga, ohd. chlaga, ofri. klagi, klage. — Dit woord komt alleen in het continentaal-westgerm. voor; de vergelijking met idg. woorden als oi. garhā ‘berisping’, av. gərəza ‘klacht’ blijft daarom twijfelachtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klacht znw., mnl. (zelden) clachte v. = mnd. klacht v. “klacht”. Naast mnl. clāghe v., ohd. chlaga (nhd. klage), os. klaga, ofri. (opvallende vorm) klagi, klage v. “klacht”. Bij ’t ww. klagen, mnl. clāghen — ohd. chlagên, chlagón (nhd. klagen), os. klagon, ofri. klagia “klagen”. Verwant is oi. garhâ- “berisping”, gárhati “hij klaagt, klaagt aan”: basis gaxlaxĝh-; hiervan ook ier. glâm “geschreeuw, vloek”? Hoogerop kunnen obg. žalostĭzẽlos”, žaliti “weeklagen, treuren” verwant zijn. De verdere combinatie met gr. blēkhḗ “het geblaat” (idg. g) is onwsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klagen ono.w., Mnl. claghen, Os. klagon + Ohd. klagôn (Mhd. en Nhd. klagen), Ofri. klagia + Skr. garhati = klagen, Os. žaliti = weeklagen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klaoge (ww.) klagen; Aajdnederlands klagon <1100>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klagen ‘droefheid uiten’ -> Deens klage (sig) ‘droefheid uiten; beklag doen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors klage ‘zijn misnoegen te kennen geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Kupang-Maleis kalák ‘droefheid uiten; beklag doen’; Rotinees kalák ‘aanklagen’ ; Negerhollands klaag, klāg, klaagte, klaeg ‘aanklagen; zich beklagen over; geklaag’; Sranantongo kragi, klager ‘klacht; beklag doen, aanklagen; droefheid uiten’; Saramakkaans kaági ‘aanklagen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klagen* droefheid uiten 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2165. Steen en been klagen,

d.i. zeer luid, zeer heftig klagen, putten in de eerde klagen, steenen uit den grond klagen, zooals men o.a. in Zuid-Nederland zegt; fri. stien en bien kleye. Vgl. Afrik. hy kla steen en been; hd. Stein und Bein schwören; nd. Stên und Bên flôken; lat. Jovem lapidem jurare; mnl. stoc ende stene sweren; bloet ende sweet sweren (bij het bloed en het zweet van Christus); up die (of ten) heilighen swerenMnl. Wdb. III, 270; VII, 2005; 2510.. De Germanen zwoeren bij heilige steenen, later na de invoering van het Christendom bij den grafsteen van een heiligeNoordewier, 427; Grimm, Rechtsalterth.4 II, 547. of bij het altaarSchrader, 342; Ducange, 3, 1608-1609: elevatis manibus super altarium jurare., dat van steen is en waarin zich thans nog altijd een steen bevindt, waaronder gebeente van een heilige ligt. In navolging van deze formule steen en been zweren, dat is zweren bij al wat heilig is, kon dan later gezegd zijn steen en been klagen, jammerenLexer verklaart stein und bein door totes und lebendiges; Grimm I, 1383 omschrijft stein und bein schwören door ‘einen hohen eid leisten, fest, wie stein und bein; Weise, Unsere Muttersprache (1895), 100, zoekt den oorsprong in dezelfde richting als boven: ‘Wie die Römer Jovem lapidem iurabant, wobei der Stein als Sinnebild des Juppiter galt, so auch die Deutschen. Als dann nach Einführung des Christenthums die Gebeine der Heiligen zu Zeugen angerufen wurden, entstand die aus heidnischer und christlicher Anschauung hervorgegangene Schwurformel ‘Stein und Bein schwören’. Zie ook Günther, 98 en Paul, Wtb. 69 die bij Stein und Bein denkt aan ‘Altar und Knochen eines Heiligen’..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut