Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klad - (vlek; schets)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klad zn. ‘schets, voorlopig ontwerp’
Mnl. cladde ‘klodder vuil’ in ontreynt mitten stinkenden cladden ‘bezoedeld door de stinkende klodders’ [ca. 1465; MNW], ‘vlek’ [1494; MNW]; vnnl. kladde ‘vlek, verbetering van een schrijffout; moddervlek; aantekeningenboek’ [1599; Kil.], klad ‘aantekeningenboek, kladversie’ in dat de klad niet in plaets van 't net nae den Haeghe raeke ‘dat de kladversie niet i.p.v. de netversie in Den Haag terecht komt’ [1630; WNT verdacht II]; nnl. (het) klad ‘de voorlopige versie’ in ik zend het U in het klad [1819; WNT].
Klad was oorspr. een vrouwelijk woord met als betekenis ‘klodder’; wrsch. was dit een klankexpressief woord. In de huidige betekenis (het) klad ‘voorlopig ontwerp, voorlopige versie’ is het woord onzijdig en ontstaan door verkorting van de samenstellingen kladboek (vnnl. kladboeck ‘aantekeningenboek’ [1590; WNT]) en/of kladpapier (vnnl. kladpapier ‘inktdeppapier; aantekeningenpapier’ [1599; Kil.]), waarin klad- nog de oude betekenis ‘inktvlek’.
Zowel in het Nederlands als in de andere West-Germaanse talen bestaan diverse woorden met een vergelijkbare vorm en betekenis als klad ‘vlek’, o.a.: mnl. classen (mv.) ‘vuile klodders’ [1479; MNW-P], clatten (mv.) ‘id.’ [1486; MNW clatte], Vlaams klodde ‘dot, kluwen, prul’, en zie → kledderen en → klodder; mnd. *kladde ‘vlek’ op grond van de afleidingen mnd. kladeren, kladderen ‘bevuilen, bezoedelen’ (ndd. kladde, waaruit nzw. kladd ‘klad’; nde. kladde ‘id.’), mnd. klatte ‘wat los bij elkaar hangt, lap’; mhd. classe ‘stuk vuil’, vnhd. kloder ‘vlekken, klodders’ [1519; Grimm]; nfri. klodde ‘klodder’; oe. clūd ‘rotsblok’ (me. clūd ‘wolk’, ne. cloud), me. cloddes ‘klodders bloed’ (ne. clod ‘kluit, klont’). Nhd. Kladde [1668; Kluge21], verkorting van Kladdebuch [1663; Kluge21], is ontleend aan het vnnl. of nnd.
In de uitdrukking de klad komt/is/zit erin ‘de handel loopt niet lekker, de prijzen zijn gedaald’ (bijv. vnnl. de kladd is in de kunst [1656; WNT]), is klad niet een relict van het oude de-woord klad ‘vuil’, maar een afleiding van het werkwoord kladden in de betekenis ‘knoeien met handelswaar’ [1635; WNT kladden I], dat zelf wel een afleiding is van vnnl. kladde ‘vuil, smet’.
kladd(er)en ww. ‘knoeien, slordig schrijven of tekenen’. Vnnl. kladden ‘bevuilen, bevlekken, besmeuren’, waarbij het frequentatief kladderen ‘slecht schilderen, besmeuren’ [beide 1599; Kil.]. Afleiding van klad ‘klodder vuil, vlek’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klad1* [vlek] {cladde [vlek, klad, modder] 1465} middelnederduits kladderen [smeren], fries kladde, naast middelnederlands clatte, classe [klis, klodder]; nevenvormen met afwijkende klinker zijn naast kladderen kliederen, kledderen, klodderen (vgl. klodder). In de uitdrukking iemand bij de kladden pakken is klad via ‘vlek’, ‘stuk vuil’, ontwikkeld tot ‘lap’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klad znw. v., mnl. kladde ‘vlek, klad, klodder’, mnd. *kladde af te leiden uit kladderen ‘besmeren’ (uit nnd. > nhd. kladde, de. kladde, zw. kladd). Wil men voor deze speciaal nl. nd. woordgroep aanknoping in het idg. vinden, dan bij de wt. *gel ‘samenballen’ (IEW 359), waarvoor zie: kalf en klaaf.

Woorden, die vuil, vlek betekenen zijn in hoge mate affectief. Wij vinden hier dan ook allerlei nevenvormen. Allereerst in de dentaal; naast dd staat t zoals in mnl. clatte ‘klodder, vlek’ maar ook ‘klomp, klisachtige massa’, vla. klatte ‘propje vlas, die in de hekel blijft zitten’, mnd. klatte ‘wat los aaneen hangt, lap, lomp’, ook vla. klater ‘kladder, vlek’, klateren ‘bevlekken, bekladden’. — Met -ss-: mnl. classe ‘klis, stuk vuil’, mnd. klaske ‘stuk, lap’ en on. klasi ‘tros’, oe. clyster ‘druif, druiventros’. — Maar ook de klinker vertoont talrijke varianten, zoals in nl. kladderen, kledderen, kliederen en klodderen, waarbij men geenszins aan ablaut behoeft te denken. — Zie verder nog: klis en klodder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klad znw. (o. in de bet. “geschrift in ’t klad”), mnl. cladde v. “klad, spat, vlek, smet”. = mnd. *kladde “id.” (blijkens klad(d)eren “smeren, besmeren”; uit het Ndd. nhd. kladde v. “in ’t klad geschreven stuk, kladboek”, de. kladde, zw. kladd “id.”). Een variantvorm is mnl. clatte v. “klodder, vlek” — vgl. mhd. bekletzen “bevuilen” —, dat wsch. identisch is met clatte v. “klomp, klisachtige massa”, mnd. klatte v. “iets dat los aan elkaar hangt, lap, lomp”. Een derde vorm is mnl. classe v. “klis, stuk vuil”; vgl. mnd. klaske “stuk, lap”, on. klasi m., ags. clyster o. “druif, druiventros” (eng. cluster). Ook kladde komt nnl. dial. = “klis” voor (bijv. Goer.), evenzoo fri. klâdde. Uit het Ngerm. vgl. noorw. dial. kladd “klomp, in elkaar gewrongen massa”, zw. dial. kladd “id., vlek”. Vgl. nog vla. klater “klad, vlek”, mnl. clāteren “bevuilen”, ndd. klater m. “lap, lomp, klodder”. Zie verder bij klis en klodder, voor de bet. ook bij vlek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klad 1 v. (vuil, smet), Mnl. cladde + Ndd. kladde, Eng. clat, De. klat: hetz. als klad 3., met de bet. klisachtige massa.

klad 2 o. (kladboek), verkort uit kladboek, een samenst. met 1. klad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klad ‘vlek, plak, klodder’ -> Fries klad ‘vlek, plak, klodder’; Frans dialect clâte, clate ‘metselwerk van een schoorsteen, schoorsteenplaat, haard’.

klad ‘ruwe schets’ -> Fries klad ‘ruwe schets’; Duits Kladde ‘kladboek, kladschrift; ruwe schets’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens kladde ‘ruwe schets’; Noors kladd ‘voorlopig ontwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kladd ‘ruwe schets’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kladdi ‘ruwe schets’ ; Lets klade ‘kladversie’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch klat ‘ruwe schets’; Ambons-Maleis klad ‘kladversie’; Kupang-Maleis klad ‘kladversie’; Menadonees klad ‘kladversie’; Soendanees kĕlat ‘ruw opstel’; Ternataans-Maleis klad ‘kladversie’; Papiaments klat ‘voorlopige aantekeningen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klad* vlek 1465 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1335. Iemand bij de lappen krijgen,

d.w.z. iemand bij zijn kleeren te pakken krijgen; hem bij de kladden, bij de lurven grijpen, bij de vodden; vgl. Jan Zoet, 352: Zoen, en zab, en vatje Bruid bij de lappen, en lurven; Sewel, 437: Iemand by de lappen (by de lurven) krygen, to lay hold of one; oostfri. hê krêgd hum bi de lappen; nd. jemes bei et Läppken kriegen (Eckart, 308); Ndl. Wdb. VIII, 1090.

1160. Een klad op iemand werpen; iemand een klad aanwrijven,

d.w.z. iemands goeden naam bezoedelen, een vlek of smet op iemands karakter werpen, hem een smet aanwrijven, hem bekladden; eig. wil een klad, mnl. cladde, zeggen: een vlek, modder of ander vuil, een klodder, een rochel (Mnl. Wdb. III, 1454); in Antw. is een klad een samengedrukte, kleine hoeveelheid slijk, mortel, mest, sneeuw, enz.; vgl. Teirl. II, 136: kladde, kleine hoeveelheid, brok van iets dat bevuilen kan, als slijk, modder, mest, boter en dergelijke dingen; bij Tuerlinckx, 571: smoutplek, vlek in de faam. In de 16de eeuw bij Sartorius II, 9, 20: hy sal u een kladde achter u rugh geven, ter vertaling van tinctura Cyzicena te tinget; in de 17de eeuw vinden we bij Poirters, Mask. 126: Soo sal oock iemandt, al waer hy onnoosel, door den onbehoorlijcken, sinnelijcken ende lichtveerdighen handel een cladde blijven aen-hanghen; bij De Brune, Bank. I, 128: Vele menschen zijnder, die yemand zeer lichtelick een kladde aen-wrijven; zoo ook Sewel, 391: Iemand een klad aanwryven (of op den hals werpen), to cast a reproach upon one; Harrebomée I, 410. Vgl. verder het mnl. enen iet wriven aen sijn cleet, iemand iets aanwrijven; iemand een vlacke aanwrijven (Pers 421 a); iemand een lack opwerpen (Vondel, Sofomp. 413) of op den hals leggen, smijten, werpen; iemand eene klad aan het gat hangen (Ndl. Wdb. V, 2086); iemand iets opkladden (Coornh. I, 355 a); iemand een klak op den hals smijten (Bed. Huish. 36); de vlaamsche uitdr. iemand iets op zijn jak werpen (Schuerm. 207 a); het gron. 'n klik geven, 'n klik in 't gat geven (Molema, 204); fri. immen in klâdde neijaen, oansmite; immen hwet oankladsje; immen in smet oanwriuwe; nd. wen en Lack (oder Klack) anhängen (Reuter, 65 b).

1161. Ergens de klad in brengen,

d.w.z. in den handel: door te goedkoop te verkoopen, de markt bederven en vandaar iets in discrediet brengen, in waarde doen verliezen. Zie Halma, 266: De klad ergens in brengen, vendre à nonprix, donner sa marchandise ou sa peine à trop bon marché; Sewel, 391: Hy brengt er de klad in, he undersells his goods or he undervalues his labour; de klad is in dat boek, that book does not sell. In de 17de eeuw komt ze o.a. voor bij Huygens VI, 47, waar een kuiper zegt: Eens was mijn' neeringh goed: nu lightse meest in duijgen: de kladd is in de kunst. Zie ook Spect. IV, 52; Tuinman II, 122; Harrebomée I, 410; Antw. Idiot. 1814: de klad in iet brengen, de merkt bederven; de klad komt er in, de prijs daalt. Oorspr. zal de uitdr. beteekenen: vuil in iets brengen, het bezoedelen, knoeien; vgl. de gruit in iets brengen (Volkskunde X, 126; De Cock1, 75); fri. de klâdde der yn bringe.

Ook in de klad komen (een slechten naam krijgen) in St. L. 63: God, o god, as ik niet opzeg (een huurder), komt mijn huis nog in de klad.

1162. Iemand bij de kladden grijpen,

d.w.z. iemand bij de kleeren pakken, bij de lurven grijpen, bij den kraag pakken. Vgl. Servilius, 196: Ick sal hem aen syn cladden hanghen ghelyck ien clesse; zie verder Voskuyl, Ouden en Jongen Hillebrant anno 1663); 24; N. Heinsius, Verm. Avent. 12Zwolsche Herdrukken, IIde reeks.; Rusting, 48; 215; Pasquilm. 23: iets aan de kladden hebben; Halma, 266: Iemand bij de kladden krijgen, iemand aangrijpen, se jetter sur quelqu'un, ou sur sa fripperie; Harreb. I, 410; Falkl. VI, 170; Nkr. VII, 11 Maart p. 2; Dievenp. 161: Dezen boef heb je brutaal in z'n kladden te pakken. Iemand in de kladden pakken, hem beetnemen, voor 't lapje houden in Nkr. IX, 20 Nov. p. 2: Ze vonden Krissie een eenige vent, die dat kwasterige kereltje zoo fijn in de kladden kon pakken. Onder de kladden zal men hier moeten verstaan lappen, vodden, welke bet. het Twentsche kladde nog heeft, evenals het oostfri. klatte, klat in: de klêr hangd hum in klatten bi 't lif dâl (Ten Doornk. Koolm. II, 242) en klater, kothklumpen, lumpe (II, 240), zoodat de uitdr. te vergelijken is met: iemand bij de vodden, de lappen, de lurven krijgen achter de vodden zitten, iemand bij de tadden vatten (Boekenoogen, 1044), bij den kraag (Ndl. Wdb. VIII, 3; hd. beim Kragen; fr. au collet; eng. by the collar) vatten; fri.: by de boks(e) krije; aan de geeren komen (Gew. Weeuw. III, 26); bij de klampen (slippen) nemen (Tuerlinckx, 319); bij de klatten pakken naast bij zijn klessen pakken (Waasch Idiot. 345; 348). De oorspr. beteekenis van kladde schijnt te zijn smet, kleverig iets, stuk vuil, en vervolgens vasthechtsel, aanhechtsel, lap; vgl. het mnl. clatte, dat klodder beteekent naast het mnd. klaske, stück, lappen, flickenMnl. Wdb. III. 1488-1490., en klatte, lap, lomp; westvl. klodde, dot, bal (De Bo, 543 b).

1162. Iemand bij de kladden grijpen,

d.w.z. iemand bij de kleeren pakken, bij de lurven grijpen, bij den kraag pakken. Vgl. Servilius, 196: Ick sal hem aen syn cladden hanghen ghelyck ien clesse; zie verder Voskuyl, Ouden en Jongen Hillebrant anno 1663); 24; N. Heinsius, Verm. Avent. 12Zwolsche Herdrukken, IIde reeks.; Rusting, 48; 215; Pasquilm. 23: iets aan de kladden hebben; Halma, 266: Iemand bij de kladden krijgen, iemand aangrijpen, se jetter sur quelqu'un, ou sur sa fripperie; Harreb. I, 410; Falkl. VI, 170; Nkr. VII, 11 Maart p. 2; Dievenp. 161: Dezen boef heb je brutaal in z'n kladden te pakken. Iemand in de kladden pakken, hem beetnemen, voor 't lapje houden in Nkr. IX, 20 Nov. p. 2: Ze vonden Krissie een eenige vent, die dat kwasterige kereltje zoo fijn in de kladden kon pakken. Onder de kladden zal men hier moeten verstaan lappen, vodden, welke bet. het Twentsche kladde nog heeft, evenals het oostfri. klatte, klat in: de klêr hangd hum in klatten bi 't lif dâl (Ten Doornk. Koolm. II, 242) en klater, kothklumpen, lumpe (II, 240), zoodat de uitdr. te vergelijken is met: iemand bij de vodden, de lappen, de lurven krijgen achter de vodden zitten, iemand bij de tadden vatten (Boekenoogen, 1044), bij den kraag (Ndl. Wdb. VIII, 3; hd. beim Kragen; fr. au collet; eng. by the collar) vatten; fri.: by de boks(e) krije; aan de geeren komen (Gew. Weeuw. III, 26); bij de klampen (slippen) nemen (Tuerlinckx, 319); bij de klatten pakken naast bij zijn klessen pakken (Waasch Idiot. 345; 348). De oorspr. beteekenis van kladde schijnt te zijn smet, kleverig iets, stuk vuil, en vervolgens vasthechtsel, aanhechtsel, lap; vgl. het mnl. clatte, dat klodder beteekent naast het mnd. klaske, stück, lappen, flickenMnl. Wdb. III. 1488-1490., en klatte, lap, lomp; westvl. klodde, dot, bal (De Bo, 543 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut