Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klaar - (zuiver, helder; begrijpelijk; gereed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

klaar bn. ‘zuiver, helder; begrijpelijk; gereed’
Mnl. di sonne clare ‘de stralende zon’ [1200; VMNW], claer, clere ‘stralend, helder, luisterrijk, zuiver e.d.’ [1240; Bern.]; vnnl. claer, klaar ‘gereed voor gebruik’ in als de paerden claer waren ‘toen de paarden klaar stonden’ [1652; WNT]; nnl. klaar ‘voltooid, afgehandeld’ in zie zoo! nu is het zover klaar [1866], ook als bw. ‘geheel en al’ in de vaste verbinding klaar wakker [1876; WNT].
Ontleend aan Latijn clārus ‘helder, duidelijk, luisterrijk’.
Ontwikkeld uit pie. *klh1-ro-, afleiding van de wortel pie. *klh1- zoals ook in clāmāre ‘roepen, uitroepen, verkondigen’, zie → claim; wrsch. verwant met → hel 2 ‘helder’ en → loeien.
De betekenis ‘gereed, voltooid’ schemert in het Middelnederlands al door in het ww. claren ‘vonnis vellen in een rechtszaak’, letterlijk ‘de zaak in het reine brengen, er duidelijkheid in scheppen’ en daarmee dus ook ‘afronden, beëindigen’.
klaar-over zn. (NN) ‘verkeersbrigadier’. Nnl. eerst de uitroep klaar-over! ‘zijn we klaar? dan nu oversteken!’ in net als de schoolbrigadiertjes ... zouden we willen uitroepen: Klaar-Over! [1955; WNT Aanv. klaar III], dan het gebruik van deze uitroep als zn. ‘schoolbrigadiertje’ in sindsdien wordt er gesproken van “klaar-overs” [1958; WNT Aanv.]. ♦ klare zn. ‘zuivere jenever’. Nnl. eerst in de verbindingen klaare borrel ‘jenever zonder toevoeging van bitters’ [1776; WNT vaderlander], klaare jenever ‘id.’ [1813; WNT klaar III], dan de verkorting klare ‘id.’ [1848; WNT klare II] en nieuwe verbindingen als oude klare ‘oude jenever’ in een glas ouwe klare [1900; WNT Supp. advocaat II].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klaar [helder, gereed] {claer [glanzend, helder, zuiver, en ten slotte: gereed] 1200} < latijn clarus [helder klinkend, glanzend, geestelijk helder, beroemd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klaar bnw., mnl. claer ‘helder, glanzend luid, vrolijk, scherp, zuiver, duidelijk bekend, (zelden:) gereed’ < lat. clārus ‘helder’; ook in andere talen vgl. mnd. klār ‘helder, glanzend, zuiver, gereed’ (> on. klārr ‘glanzend, helder’), mhd. klār, clār ‘helder, zuiver, glanzend’ en owfri. klāria ‘duidelijk maken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klaar bnw., mnl. claer “helder, glanzend, luid, vroolijk, scherp (van ’t verstand), in aanzien, zuiver, duidelijk, bekend, verzekerd, slechts, (zelden) gereed”. Wsch. evenals mhd. klâr, clâr “helder, zuiver, glanzend” (nhd. klar), mnd. klâr “id., slechts, gereed” (> laat-on. klârr “glanzend, helder”), (owfri. klâria “duidelijk maken”, klârlik “duidelijk”) uit lat. clârus; misschien is mnl. claer ten deele via fr. clair ontleend, waarop ook eng. clear “helder, klaar” teruggaat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klaar. Adde: ofri. klâr ‘duidelijk’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klaar bijv., Mnl. claer, gelijk Hgd. klar en Fr. clair, uit Lat. clarum (-us) = helder, schoon. Eng. clear is uit Fr. clair.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klaor (bn.) zuiver, helder; Vreugmiddelnederlands clare <1200>.

klaor (bn.) gereed; Nuinederlands claer <1652> < Latien clarus.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

klaar bn., bw., (ook:) 1. niet meer voorhanden, op. Mevrouw, er is nog wel thee, maar de suiker is klaar. - 2. afgelopen, opgehouden. De muziek was klaar, de bandleden pakten hun instrumenten in.
— : klaar zijn met (was, is geweest), afgedaan hebben met. Roebia is woedend op Nohar. Hij moet niet denken dat hij met haar kan doen wat hij wil. Ze neemt het niet langer. En hij hoeft haar ook niet meer op te bellen. Ze is klaar met hem (Vianen 1971: 117). - Etym.: S ’a kaba nanga en’ = lett. ’hij is klaar met hem’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

klaar (Latijn clarus of Oudfrans clar)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Klaar, Lat. clarus = helder, schoon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klaar ‘helder’ -> Duits klar ‘helder, duidelijk; verstandig’; Deens klar ‘helder’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds klar ‘helder’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests klaar ‘helder, duidelijk’ (uit Nederlands of Duits); Soendanees kĕlar ‘helder’; Creools-Portugees (Batavia) klaar ‘helder’; Creools-Portugees (Ceylon) clár ‘helder’; Negerhollands klaar ‘helder, licht’.

klaar ‘gereed’ -> Ewe klálò ‘gereed’; Gã klalo ‘gereed’; Twi krádo ‘gereed’; Indonesisch kelar ‘gereed; oké, rijden! (busconducteur tegen chauffeur)’; Ambons-Maleis klar ‘gereed’; Balinees kelar ‘gereed’; Boeginees kelâré ‘gereed’; Javaans kelar ‘gereed’; Keiëes klar ‘gereed, af’; Kupang-Maleis kalár ‘gereed’; Menadonees klar ‘voltooid’; Soendanees kĕlar ‘gereed; uitroep van spoorwegconducteurs bij vertrek’; Negerhollands klaar, klā ‘gereed, af’; Berbice-Nederlands klara ‘gereed’; Papiaments kla (ouder: klaar) ‘gereed’; Sranantongo klari ‘gereed’; Surinaams-Javaans kelar ‘gereed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klaar helder 1200 [CG II1 Servas] <Latijn

klaar gereed 1651-1652 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1075. Kant en klaar,

d.i. eig. netjes en gereed, geheel gereed, afgewerkt, voltooid. Dit bijv. naamw. kant (fri. volt. deelw.?Franck-v. Wijk, 291. Ook kan zich het bijv. naamw. uit het znw. ontwikkeld hebben; vgl. pluis; dial. plas (= onder water) en 17de eeuw drang, drukkend.) behoort bij het wkw. kanten, de kanten wegnemen, afsnijden; vgl. Kil.: kanten, extremitatem abscindere; vandaar kon kant de bet. aannemen van netjes, welke beteekenis het eenigszins verloor in kant en klaar, waarin het syn. is met klaar. Vgl. het oostfri. kip (van kippen, houwen, kappen) un klâr, syn. van klip (of klapp) un klârTen Doornk. Koolm. II, 218 b; 267 a; Borchardt, 1046.; Oudemans III, 312; Winschooten, 100: Dat is kant, dat is wel, dat is soo als het weesen moet; Sewel, 377: Dat is kant, dat is in den haak; Alles is kant en klaar, every thing is ready; Halma, 255: Dat staat kant, dat staat fraai; Boekenoogen, 397; Opprel, 63 a; Gunnink, 144; Hoeufft, 279; Fri. Wdb. II, 38: kant, haaksch, recht, welgemaakt; kantens, welgemaaktheid; kantig, flink; Joos, 42; De Bo, 490 a: kantig, hetzelfde als kant, net van kanten en hoeken, fraai, schoon, effen; Antw. Idiot. 617: kantjes, schoon, fijn aangekleed; Ten Doornk. Koolm. II, 169: kant, glatt, schier, zierlich, hübsch, fertig; Molema, 190 b; 531 a, waar medegedeeld wordt, dat men in Drente zegt kant en hemmel, zindelijk en net (vgl. fri. himmel), en vooral De Jager, Frequ. I, 258-259; Ndl. Wdb. VII, 1350 vlgg.

1158. Klaar is Kees!

misschien eene verbasterde uitdr. voor klaar is de kees (= de kaas), zooals de zegswijze nog luidt in het Nederduitsch do wêr de Kâs klâr en klâr is d' Kês (Eckart, 247; 268; Hoeufft, 286; Taalgids IV, 286); Zuid-Afrik. dit is klaar met Kees (Boshoff, 339). Ook in Zuid-Nederland Klaar is Kees, ik ben gereed; mijn werk is af (Waasch Idiot. 803; Antw. Idiot. 2237); oostfri. klâr is Kés en klâr was Kêsje, harr' se man 'n man (Ten Doornk. Koolm. II, 203 b); fri. klear is Kees. Het is evenwel volstrekt niet onmogelijk dat we in Kees den eigennaam moeten zienNdl. Wdb. VII, 723, waar ook gewezen wordt op: Zoo komt Harmen in 't wammes; 't Is gedaan met Kaatie en dergelijke. blijkens uitdrukkingen als hupsa Kees, vooruit! Hup zei Kees (in Nkr. I, 19 Mei p. 6) naast Hupsa Kee (in Nkr. VII, 29 Maart, p. 2); het Zaansche wiptem Keesje, gezegd bij het ledigen van een glas; zie no. 70 en vgl. Nav. LXI, 181: Claer is Kees (anno 1637); Harreb. I, 440 b: Klaar is Kees, zei Trijn, en toen hing haar man aan de galg; Klaar is Kees en hij had zijn mutsje weerom; Klaar is Kees, zei de jongen, en hij zag zijn' vaâr hangen; Jong. 71; Nest, 136; Nkr. III, 28 Mrt. p. 5; P.K. 99. In Handelsbl. 20 Mrt. 1913, p. 1 k. 5 avondbl.: Klaar is Cornelis. In A. Jodenh. II, 44: t' Is klaar as Kees, niks wat mankeert; III, 12: ‘Nou’, sprak ze, ‘juffie Bet! t' is klaar as Kees hoor’.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VII, 2004.

2574. Iemand klaren wijn schenken,

d.i. iemand de zuivere, onvervalschte waarheid zeggen; ronduit zeggen wat men meent; vgl. Kil.: Klaeren wijn, vinum defaecatum, purum, repurgatum; hd. einem reinen Wein einschenken (Wander V, 118); Kippev. I. 176: Als edelman is hij verplicht klaren wijn in te schenken; Nkr. III, 1 Aug. p. 3: Wat verkeerds ziet g'er in om klaren wijn te schenken; VIII, 9 Mei p. 2: Van wat Jan of Klaas in het vuur van den stembusstrijd miszegd mogen hebben, daar wil ik afwezen; maar de koncentratie heeft op dit punt altijd klaren wijn geschonken; oostfri. reine wîn inschenken; Reuter, 128 a.

2641. Van zessen klaar zijn,

d.w.z. in alle opzichten klaar zijn, flink zijn; eig. gezegd van een paard, dat twee goede oogen en vier flinke pooten heeft. Vgl. Berkhey, Nat. Hist. IV1, 108: Wanneer onze Hollanders van een volmaakt Paard spreeken, is het gewone woord, dat het van zessen klaar zy; dat is, dat er geene gebreken aan de zes voornaamste deelen, die tot een goed Paard behooren, zyn; te weten aan de vier Pooten en de twee Oogen. Sedert de 17de eeuw gebruikelijk; vgl. Huygens IV, 152:

 Niew, Aengenaem gesangh op Fugen, wel door-regen,
 Het beste Contrepunt, en Bindsel, en Beweghen.
 Laet een van sessen uyt; het Stuck magh goed zijn; maer
 Niet als het wesen souw, dat is, Van sessen claer.

Van Moerk. 474: s' Is van Klinck tot de Neering, neen byget, s'is (seg ick) een van sessen; Rusting, 469: Paarden, die van zessen schoon en klaar zyn; Brieven van B. Wolff en A. Deken, 226; V. Janus, 68; Van Eijk II, 69; Nkr. VII, 30 Aug. p. 5: De bloem der radikalen, de vrees der socialen, den vijand een gevaar; een man van zessen klaar; VIII, 1 Aug. p. 6: Het was een echte Hègèner, een dandy, heur, van zessen klèr, met vouwtjes in de broek; Antw. Idiot. 1479: van zessen klèèr zijn, gauw gereed, bij der hand, handig en bekwaam. Zoo zegt men in het Friesch ook: fen seizen klear naast hy is op fjouweren bislein (hij is op vieren beslagen), dat is: hij is van zessen klaar; in Groningen: van zessen kloar (Molema, 484 a); vgl. ook het fr. avoir bon pied, bon oeil, être tout à fait valide (Hatzf. 1618 a).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal