Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kip - (politieagent)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kip7 [politieagent] {1901-1925} < rotwelsch Kipp [hond] (vgl. Teckel [gendarme]); in sommige Duitse streken heette in de mijnbouw de bak op vier wielen voor horizontaal vervoer in de gangen Hund, frans chien des mines, nederlands hond, ook wel ijzeren hond; in Saksen was de benaming Kieper, van Kiepe [kist, bak]; in Zwaben, waar dit laatste woord onbekend was, vatte men het op als waakhond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kip 6 znw. m. ‘scheldnaam voor politieagent’, vgl. bargoens kipp ‘hond’ (waarvoor vgl. S. A. Wolf, Wörterbuch des Rotwelschen 1956, 165).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kip: (Amsterdam, jeugdtaal, begin twintigste eeuw) politieagent. Kip in deze betekenis werd ontleend aan het Duitse Rotwelsch (Bargoens), waar het in de periode 1791-1814 werd opgetekend in de betekenis van ‘hond’. Ook het werkwoord kippen in de zin van pakken werd genoteerd (bij ons in de uitdrukking: kip, ik heb je). Latkip is dan weer een Bargoense benaming voor een politieagent. Het combineert volgens Van Dale twee andere Bargoense woorden: kip en lat (mannelijk lid) maar dit laatste is betwistbaar. Lat lijkt mij hier eerder te verwijzen naar een sabel.

De commissaris zei van heden af géén kippe meer op straat. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kip politieagent 1906 [WNT kip II] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1150. Kip

is in Amsterdam de naam voor een agent van politie (zie o.a. Lev. B. 23) en volgens Köster Henke, 33 ook die van een hond. Waarschijnlijk is deze laatste beteekenis de oudste, daar Kluge, Rotwelsch, p. 254 vermeldt: Hund, Kipp (anno 1791); eveneens bl. 323 (anno 1814) en bl. 482. Dit kip kan verwant zijn met het ww. kippen, pakken, grijpen, dat we o.a. kennen in: kip! ik heb je (zie no. 1151), zoodat kip eigenlijk beteekent grijper. Vgl. hiermede hd. barg. teckel, dashond, maar ook politieagent; Köster Henke, 13: dekkel, politieagent; bl. 54: poedel, agent van politie. Zie Smeris.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut