Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kip - (vogelknip; ploeghout)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kip2* [vogelknip] {kip(pe) [knip, strik, val, voetboei] 1423} van kippen1 [vangen].

kip5* [ploeghout] {kip, kijp 1423} hetzelfde woord als kip2 [vogelknip].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kip 3 znw. v. ‘val, knip’, Kiliaen kip, nhd. kippe. — Afl. van kippen 1.

kip 4 znw. o. gewestel. (gelders) ‘zoolbalk van een ploeg’, ohd. chipf, kipf, kipfa (nhd. kipfe) ‘rongstok’, vroege ontlening < lat. cippus ‘spitse zuil, paal’ (vgl. fra. cep ‘pin; deel van ploeg’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kip I znw. In de bett. “knip, val, klepje, stokvischhoepeltje” evenals dial. kip o. “smalle strook hout aan het ploegijzer”, (vla.) “dwarshout boven de achteras van een wagen” = mnl. kip “voetboei”, ook “strook hout aan een ploeg”, waarover zie bij keper.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kip 2 v. (val), Mnl., Onfra. id., gelijk Ohd. kiffa, Ags. cipp, uit Lat. cippus (Fr. cep).

kip 5 o. (strook hout aan een ploeg), hetz. w. als kip 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kip ‘(gewestelijk) vogelknip, visnet’ -> Frans dialect quipot ‘soort visnet’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut