Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kip - (hoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kip zn. ‘hen, vrouwtje bij de tamme hoenders’
Vnnl. kip ‘broedsel, het broeden’ in een kip kieckenen ‘een broedsel kuikens’ [1573; Thes.], kip ook ‘net uitgekomen kippekuiken’ [1588; Kil.]; nnl. kip ‘hen’ [1727; WNT].
Wrsch. oorspr. een klanknabootsende lokroep, in sommige dialecten ook kiep. Ook in diverse andere talen heeft de kip een vergelijkbare korte naam die tevens dienst doet als lokroep, bijv. Wit-Russisch cypa ‘kuiken’, Lets ciba ‘kip’. Wrsch. is ook pgm. *kuk-, *kiuk-, waaruit resp.kuiken en kieken (zie → kiekendief), terug te voeren op zo'n lokroep. Wrsch. hangt het uitsluitend in het Nederlands voorkomende en relatief jonge woord kip ook samen met het werkwoord kippen ‘uitbroeden’, zoals in mnl. die vogel leyden eyer ... ende kyppeden jongen ‘die vogels legden eieren en broedden jongen uit’ [1400-50; MNW], onovergankelijk ook ‘uit het ei komen’ [1573; Thes.]. De herkomst van dit werkwoord is eveneens onzeker. Als de betekenis kippen ‘uit het ei komen’ de oorspronkelijke is, is dit hetzelfde woord als Nederduits kippen ‘de punt afhakken, insnijden’, dat in die betekenis in het Nederlands niet voorkomt, zie → kepen. De betekenis kippen ‘uitbroeden’ zou ook via ‘in de gaten houden’ kunnen zijn ontwikkeld uit ‘grijpen, vangen, betrappen’ [1450-1500; MNW kippen II], mogelijk een klanknabootsend woord en/of verwant met Engels keep, zie → keeper. Zie ook → kiepen.
De gewone aanduiding voor de kip was → hen 2. Pas in de 18e eeuw kwam in het Noord-Nederlands kip hiervoor in de plaats. Ook in BN (waar kieken de traditionele term is) is het woord nu vrijwel algemeen bekend.
kippig zn. ‘bijziend, slechtziend’ (vrijwel uitsluitend NN). Nnl. kippig ‘id.’ [1790; WNT]. Afleiding van kip. De kip wordt wel vaker geassocieerd met een gebrekkig gezichtsvermogen, bijv. in uitdrukkingen als blinde kip of kip zonder kop. Ook in sommige Slavische talen worden ooggebreken wel aangeduid met een woord dat van het begrip ‘hoen’ is afgeleid (Van der Meulen 1942b). Minder waarschijnlijk lijkt verband met mnl. kipen ‘zich inspannen’ [ca. 1350; MNW] via een overgangsbetekenis ‘turen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kip1* [hoen] {1588} is vermoedelijk de lokroep van het dier. Sommigen verbinden het woord met middelnederlands kippen [broeden, uitbroeden], anderen veronderstellen verwantschap met keep1, oorspr. met de betekenis ‘het doorpikken van de eierschaal’ → kippen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kip 5 znw. v. ‘hoen’, sedert Kiliaen, die als bet. ook ‘broedsel’ op geeft; afl. van mnl. kippen ‘uitbroeden’, waarvoor zie kippen 2. — Het is echter mogelijk, dat de bet. kip uitgaat van een lokroep, evenals van beiers zib, zibə afgeleid ziberlə ‘kipje’ of van klruss. ćip ćip ook ćipka ‘kuiken’.

Daarnaast staan vla. kippe, kippen ‘pasgeboren kalf’, nhd. dial. kippe ‘id.’ on. kjappi ‘geitebok’; vgl. nog nhd. dial. kip als lokroep. Dus onafhankelijke maar gelijksoortige ontwikkeling als bij nl. kip.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kip III (hoen), sedert Kil., die ook de bet. “broedsel” opgeeft. In deze bet. van mnl. Kil. kippen “uitbroeden”; zie kippen, [’t Is heel onzeker, of en in hoeverre dan hiermee vla. kippe, kippen “pasgeboren kalf”, kippen ww. “kalven”, on. kjappi m. “bok” e.a. dgl. woorden iets te maken hebben.] In de bet. “hoen” veeleer evenals dial. kiep oorspr. een lokroep: vgl. bei. zib, zib! zibǝ, zibǝl(ǝ) (lokroep), waarvan ziberlǝ “jonge kip”, klruss. ćip ćip, waarvan ćípka (vgl. russ. cyplënok, cypka) “jonge kip, kuiken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kip 1 v. (hoen), van kippen 2. in de bet, uitbroeden.

kippig bijv., van kip 1, dus = die kijkt als een kip; hieruit dan kip 7.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kiep s.nw. (minder gebruiklik), tw. (dikw. in die herhalingsvorm kiep-kiep)
Hoender, of uitroep waarmee hoenders aangelok of verwilder word.
As s.nw. uit gewestelike Ndl. kiep. As tw. uit Ndl. kiep. Gewestelike Ndl. s.nw. kiep 'hoender' het uit die tw. kiep ontwikkel. Eerste optekening in Afr. as tw. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm kiip-kiip.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. as tw. in die vorme kip-kip (1907) en kiep, kiep (1934).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kip zn.: kan bij de benaming van sommige gerechten betekenen ’met of van kippevlees’: sate kip = sate van kippevlees; rijst-kip* = rijst met kip. - Zie ook: geit*, koe*, rund*, varken*.
— : hippe kip (de, -pen), leuk en/of goed gekleed meisje. Ik vergat om mijn school af te maken, met een motorfiets en een hippe kip was je toch een man? (Rappa 1980: 106). - Etym.: ’hip’ en ’kip’ komen in AN beide voor in dezelfde bet. als hier in SN, echter niet in combinatie als een vaste uitdr.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kip ‘hoendervogel’ -> Duits dialect Kippen ‘hoendervogels’; Petjoh † kip ‘meisje’; Amerikaans-Engels dialect † kip ‘roepnaam voor kippen’; Munsee-Delaware ki:kípǝš ‘hoendervogel’; Loup kipkip ‘hoendervogel’; Mahican kikipus ‘hoendervogel’; Mohawk kitkit ‘hoendervogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kip* hoendervogel 1588 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1664. In de dagen van olim,

ook wel met het toevoegsel: toen de kippetjes keurslijven droegen, d.w.z. vroeger, eertijds, voor langen tijd, in groetjes tijd, in het jaar nul. Olim is een Latijnsch bijwoord, dat de beteekenis had van vroeger; ook in het hd. zu Olims Zeiten (da die Leute nicht klug waren). Vgl. V. Janus, 18: Wanneer hij nog die zelfde kunde als in de dagen van Olim bezit.

1152. Kiplekker.

Ook wel zoo lekker als kip, zeer gezond, met woordspeling tusschen de twee beteekenissen van lekkerVgl. voor dergelijke uitdrukkingen Borchardt no 88; Lyon's Zeitschrift V, 101; Weise, Aesthetik der Deutschen Sprache, 147; Müller, Aus der Welt der Wörter, 192.; zoo gezond als een visch of zooals Winschooten, 332 zegt soo fris, als een hoen, als een Karper (zie Ndl. Wdb. VI, 809; VII, 1657). Vgl. Ppl. 5: Ik voel me nou weer lekker as kip; Lvl. V, 219: Vandaag voel ik me zoo lekker als kip; bl. 241: Dalman voelde zich zoo lekker als kip; Nkr. VII, 22 Nov. p. 2: Ik althans voelde me op dit kongres voortdurend kip-lekker, zoo echt als een eendje in het water. In het fri. sa frisk als in nút, als een walnoot. Vergelijk voor dergelijke woordspelingen zoo mager als brood (zie aldaar); zoo klaar (of helder) als koffiedik (Nkr. IV, 17 Juli p. 2); zoo klaar als een klontje (Falkl. V, 229); zoo sterk als mosterd; fijn als gemalen poppestront (in Gew. Weeuw. II, 42: Je houd je zoo fijn als gemaale kippestront; zie Ndl. Wdb. III, 4464; vgl. fr. être fin comme de la moutarde); zoo vies als kattestront (Brederoo, II, 224). Zie ook Nieuwe Taalgids III, 7.

1154. De kip met de gouden eieren slachten,

d.w.z. door winzucht en te groote begeerlijkheid oorzaak zijn, dat de bron der inkomsten niet meer kan vloeien en men alles verliest. Zie Vondel's Warande der Dieren, no. CVIII en vgl. Haagsche Post, 2 Oct. 1920, p. 1571 k. 3: Men moet het kapitaal intact houden en de rijksmiddelen zoeken uit belastingen op het inkomen. Men mag gerust een deel van de gouden eieren nemen, doch men moet nooit de kip slachten die deze eieren legt; Handelsblad, 24 Oct. 1920 (O) p. 9 k. 6: Met de hersenen der natie schikt het nog al. Niemand is zoo dom, de kip, die de gouden eieren legt, te slachten; vgl. fr. tuer la poule aux oeufs d'or.

1155. Als de kippen er bij zijn,

d.i. zeer vlug, dadelijk er bij zijn, evenals de kippen, wanneer men hun voedsel geeft (vgl. op een kippendraf, sukkeldraf; Gunnink, 147; Boekenoogen, 434 en kippedrift, driftige haast (Boekenoogen, 434). Verg. Gew. Weeuw. I, 20: Jy bent' er by als de kippen; Harrebomée I, 408: Hij is er als de kippen (of de vinken) bij; Het Volk, 14 Nov. 1913, p. 5 k. 3: Als de kippen is Sientje er bij om nog even dezen kleinen dienst aan haar vader te bewijzen; Nkr. VI, 14 Dec. p. 4; III, 3 Oct. p. 4: De Hollandsche Spoorweg-Maatschappij, hoera! die was er ook als de kippen bij, o ja! Menschenw. 29: Dà' ware sullie bai aa's kippe hee? Het Volk, 2 April 1914, p. 5 k. 4: Juist waar wij onderling meeningsverschil hebben, zijn wij er niet als de kippetjes bij om te vragen: is deze uiting geheel en al voor rekening van de bond te nemen; 3 Juni 1914, p. 2 k. 3: Nu er wat te halen is, nu zijn ze er als de kippen bij; De Arbeid, 11 April 1914, p. 3 k. 1; De Maandagcourant, 27 April 1914, p. 2 k. 2: De Vos is er als de kippen bij, om met een onhoudbaar schot den bal in het net te schieten; fri. Hy is der by as de kjippen, vlug er bij, vooral als er iets valt te halen of te verdienen; Molema, 200: hy is 'r kiepig bie. Syn. Hij is er bij als de bok op de haverkist.(Aanv.) Syn. was als de pikken er bij zijn (zie Ndl. Wdb. XII, 1801).

1156. Met de kippen op stok gaan,

d.w.z. reeds bij 't ondergaan der zon naar bed gaan; zeer vroeg naar bed gaan. Onder den stok of den boom verstaat men den staak met dwarsstokken, waarop de kippen in het hok naast elkander zitten te slapen; bij Halma, 220: Met de hoenderen naar bed gaan; vgl. voor de 18de eeuw W. Leevend III, 285: Mama kan wel begrypen, om ten vyf uuren beneden te komen; zy gaat ook met de kippen op stok; Sewel, 389: Met de kippen na bed gaan, to go to bed with the fowls very earlyIn letterlijken zin Schoolm., 144: Het is een vaste gewoonte bij de haan //Om met de kippetjes naar bed te gaan.; zie verder Harreb. I, 408; gron. mit de hounder op 't rik goan (Molema, 348); overijs. mit de hoonder noa 't rek goan. In het Westvl. naar zijnen roestestok gaan of van zijnen roestestok komen, gaan slapen of uit zijn bed komen (De Bo, 645 b); in Z. Brab.: met de kiekens (of de hennen) naar den nest gaan of gaan slapen; Afrik.: saam met die hoenders gaan slaap; vgl. evenzoo in 't fr. se coucher avec les poules; hd. mit den Hühnern zu Bette gehen; eng. to be (or to go) at roostVgl. Kiliaen: Roest, hinnenkot, sedile avium, pertica gallinaria; het vroegere roesten, te roest (eng. roost) gaan, van patrijzen gezegd, die dicht bij elkander kruipen en stil blijven zitten (Halma). In dialect is roest nog bekend; vgl. o.a. Antw. Idiot. 1035: roest, hoenderrek, staak waarop de hoenders slapen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut