Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kikvors - (kikvorsachtige)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kikker zn. ‘amfibie (geslacht Rana)’
Vnnl. kickert ‘kikker’ [1577; Nomenclator, 54b], kickers (mv.) [1617; WNT].
Afleiding van het werkwoord kikken, mnl. kicken ‘een nauwelijks hoorbaar geluid geven’ [1315-35; MNW-R], een klanknabootsend woord.
Een ouder West- en Noord-Germaans woord voor de kikker is → vors.
kikvors zn. ‘kikker’. Vnnl. quaeckende kickvorsschen [1627; WNT uits-]. Gevormd als tautologische samenstelling van kikker en vors.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kikvors* [amfibie] {1627} van het klanknabootsende kikken, kikker + vors.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kikvors

Kikken is: het geluid geven dat als ‘kik’ klinkt, net als kwaken wil zeggen: het geluid geven dat als ‘kwaak’ klinkt. Daaruit is de meer algemene betekenis van kikken: z’n stem verheffen, ontstaan. Hij durfde niet te kikken, hij gaf geen kik, hij heeft er met geen woord van gekikt.

Vors, dat hetzelfde is als het Duitse Frosch, is verwant met een heel oud woord dat: springen betekende. De kikvors is dus: de kwakende springer. Hij wordt door zijn naam wel voortreffelijk getypeerd. Maar vors (Eng. frog) wordt ook wel verklaard als: de slijmerige. Ook dat is een passende naam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kikvorsch znw. Samenst. met kik. Nog niet bij Kil. Zie vors.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kikvorsch m., = een vorsch die kikt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kikvors s.nw. (digterlik) Ook, streektaal, kirkvors.
Padda.
Uit Ndl. kikvors (1627) of kikvorsch (1623), 'n samestelling van kikken, as klanknabootsing van die keelgeluid wat 'n padda maak, en vors, vorsch 'padda'. Die Afr. wisselvorm kirkvors het deur volksetimologie ontstaan uit kikvors. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm kikvorsi.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kikvors: – (dial.) kirkvors (vWiel 173, 183)/krikvors (vWiel 142) –, (minder gebr. v.) padda; Ndl. kikvors(ch) na Kil wat kickert vermeld en dit Holl. en Fri. noem (Fri. het dan ook kikkert); eerste lid kn. en tweede is vors I.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

kikvors In de betekenis ‘glas drank, borrel, zoopje’ in 1927 voor het eerst aangetroffen, in het WNT. Net als gans, goele, kikkertje, schimmel en snep verwijst deze borrelnaam naar de ideale toestand waarin het dier zich in de ogen van de dronkelap bevindt: eeuwig in het nat. Dit komt ook naar voren in twee uitdrukkingen die in 1874 zijn opgetekend: hij zou wel een zwanenhals willen hebben, om altijd, met de kikvorschen, den bek in ’t nat te hebben en hij wou wel, dat hij, als de kikvorschen, maar behoefde te happen, om een slokje naar binnen te krijgen. Bij die laatste uitdrukking staat als toelichting:

Benijdenswaardige dieren, die kikvorschen, naar ’s dronkaards meening. Hoe gemakkelijk zou zijn thans zoo moeilijk werk voortgaan, indien hem die kikkergave eigen was!

Het Franse argot kent grenouiller, letterlijk ‘kikkeren’, maar dat betekent ‘water drinken’.

[Herroem 68, 130, 131; WNT VII2 2915]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kikvorsch. Kikken, keken, kekeren is eig.: stotteren, stamelen, snateren: een klanknabootsing.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kikvors ‘kikvorsachtige’ -> Duits dialect Kikfors, Kikkförsk, Tikfröschke, Krikfrötzke, Kritskrötske ‘kikvorsachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kikvors* kikvorsachtige 1627 [WNT uits- (uitslibberen)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut