Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kik - (klein, flauw geluid)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kik znw., nog niet bij Kil. Van ’t ww. kikken, mnl. kicken “een nauwelijks hoorbaar geluid maken, een kik geven”. Vgl. nhd. kickern (naast kichern) “grinniken”, mhd. gickeln “hoonlachen”, ndd. kikken “kikken”. Onomatopoëtisch. Zie kekeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kik, kikken m. resp. ono.w., onomat.; vergel. kekeren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1kik s.nw.
Sagte, nouliks hoorbare geluid.
Uit Ndl. kik.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1139. Geen kik laten (of geven).

Dat is: geen geluid geven, niets zeggen; ook: kik noch mik zeggen. In de 18de eeuw vrij gewoon, terwijl het wkw. kicken (nhd. kickern naast kichern) reeds in de middeleeuwen voorkomt, ook in de uitdr. kicken no micken, dat thans in Zuid-Nederland nog gebruikelijk is naast kik noch mik geven; fri. hy joech (gaf) gjin kick; ook gjin kik of mik, kik noch mik. Zie Mnl. Wdb. III, 1426; Ndl. Wdb. IX, 731; C. Wildsch. III, 272: geen kik antwoorden; De Jager, Frequ. II, 222; Harreb. III, 36 b; Dsch. 192: Niemand dee 'n kik (zei een woord) over z'n natte voeten; Jord. 155: Nou kon hij ieder die hem 'n woord te veel zei, den strot afkerven zonder 'n kik; bl. 171; Nog één zoo'n hoos en ze verzopen zonder kik; Sprotje, 32: Geen kik had ze gegeven; Jord. 89; Joos, 48; Waasch Idiot. 341; zie no. 267.

Syn. is geen asem geven, niet antwoorden (Boekenoogen, 1284); fri. azem jaen, zich luide laten hooren; De Vries, 62: Gien asem geven, geen antwoord geven; Landl. 122: De visscherlui waren zóó kregel, dat ze geen van allen op onzen morgengroet 'n spoog asem gaven; bl. 209: 'k Schreeuw door 't luik.... maar geen asem; Jord. 42: Poppen Trui pufte, gaf geen asem; Slop, 58: Geef er 'es asem! (zeg eens wat); Boefje, 95: Geen asem hoor.... geen spreek! Falkl. VI, 58: Hij is zoo schargrijnig dat-ie geen asem geeft as-je met 'm praat; Leersch. 19: Sau je 'n eris eindelijk weer oasem geven; bl. 91: Niks geen asem geve; P.K. 81; Amst. 94; Nkr. VII, 26 April p. 2; I, 16 Mrt. p. 2: De rechter gaf daar geen asem op (antwoordde daarop niet); Allerz. 75: Daar geef 'k geen asem (antwoord) op; Het Zevende Gebod, 113: Geen aasem van de vader, geen boe noch ba; Menschenw. 84: Bin 'k gein asem woart! hai je gein senie in spreke? enz. enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut