Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kijven - (heftig twisten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kijven ww. ‘heftig twisten’
Mnl. kiven ‘vechten’ in die twee ne wilden nemmeer kiven ‘die twee wilden nooit meer vechten’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. kyven ‘heftig twisten’ in so waer twee vrouwen kyven [1505; MNW]. Eerder al in de afleiding kijf ‘twist’ [1290; VMNW].
Mnd. kiven ‘vechten, kibbelen’ (waaruit door ontlening nhd. keifen); mhd. kīben; ofri. zīvia, kīvia ‘twisten met woorden’; on. kífa ‘kibbelen’ (nzw. kiva); < pgm. *kīban-. Meestal verbindt men ook ablautend oe. *cāf ‘vlug, flink’ < pgm. *kaifo-.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn buiten het Germaans geen verwante woorden. Misschien afgeleid van de wortel pie. *gei- ‘draaien’ (IEW 355, zie → keren), maar dat verband is zeer speculatief.
De betekenis van dit woord was in het Middelnederlands ‘strijden, vechten’ en dus algemener dan nu: kijven impliceert tegenwoordig alleen nog een woordentwist. Het ww. was oorspr. sterk (keef, gekeven), maar wordt tegenwoordig meestal zwak verbogen (kijfde, gekijfd).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kijven* [schelden] {kieven 1301-1350} middelnederduits kīven, oudfries zîvia, tzîvia (in het oudfries wordt de k voor oude palatalen gepalataliseerd), oudnoors kīfa (vgl. kibbelen, kiften); etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kijven ww., mnl. kîven ‘vechten’, mnd. kīven (> nhd. keifen) ‘vechten, kijven, kibbelen’, mhd. kīben ‘kijven, kibbelen’, ofri. kīvia, szīvia, tsīva ‘twisten met woorden, kijven’, on. kīfa ‘kijven, kibbelen’. Daarnaast oe. cāf ‘vlug, flink’. — Zie ook: kibbelen.

Herkomst onbekend. Enerzijds denkt men aan een germ. wt. kiƀ ‘splijten; zijwaarts uitwijken’ (Torp, Sprachschatz 43), anderzijds aan samenhang met noorw. keik ‘buiging, scheefheid’ (Jóhannesson Isl. Etym. Wb. 298). Deze behoren echter beide tot de idg. wt. *gei (IEW 354).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kijven ww., mnl. kîven “vechten (met woorden of met wapenen).” = mhd. kîben “kijven, kibbelen”, mnd. kîven (> mhd. kîven, kîfen, nhd. keifen) “id., vechten”, ofri. kîvia, szîvia, tsîva “twisten met woorden, kijven”, on. kîfa “kijven, kibbelen”. Met ablaut ags. câf “vlug, flink”; dit woord maakt het onwsch., dat kijven oorspr. thuis hoort in een woordfamilie, die “scheef zijn” beteekent en waarvan noorw. keiv “scheef” wordt afgeleid; misschien is dit wel een jonge formatie, naast skeiv (scheef) ontstaan. De oorsprong van kijven is onbekend. Als kîf-, kîƀ- op een korter kî- teruggaat, kan noorw. dial. kîpen “trotsch, weerspannig, uitgelaten” verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kijven ono.w., Mnl. kiven + Mhd. kîben (uit Ndd. Nhd. keifen), On. kífa, wellicht van wrt. kif (z. kevel).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kever, van den Germ. wt. kef: een kauwende beweging met den onderkaak maken. (Vgl. ons kevel: tandvleesch zonder tanden; en kieuw.) Alzoo wil kever eig. zeggen: het knagende dier. Van dit kef (met bijvorm kif) is ook gevormd ons keffen en kijven: de kaken bewegen. Vgl. Cats: „Uw wangen sonder blos, uw kibben (= kaken) zonder tanden”. Vandaar kibbelen, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kijven ‘schelden’ -> Deens kives ‘kibbelen, schelden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kives ‘kibbelen, schelden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kivas ‘kibbelen, ruziën’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kiev ‘schelden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kijven* schelden 1301-1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2695. (Aanv.) Als de kok met de keukenmeid kijft, dan hoort men waar de boter blijft,

als twee schelden, die het gewoonlijk eens zijn, twist krijgen, dan komen hunne boevenstreken aan het licht; vroeger ‘als de kok met den bottelier kijft, dan weet men waar de botter blijft, waar meede men seggen wil, dat als de Opperhoofden beginnen oneens te werden, dan hoord de gemeene man, waar het haaperd, en waar het Boefje schuild; want soo lang de kok met de Bottelier het eens is, soo kan de oorsaak van het quaalijk schaffen verhoolen blijven, omdat die twee malkander de Bal toe kaatsen’ (Winschooten, 116). Evenzoo bij Cats I, 458:

Als kock en bottelier lest eens te samen keven,
 Toen hoord' ick onder wien de boter was gebleven.

Tuinman I, 146: Als kok en bottelier zamen kyven, hoort men waar de boter gebleven is.... Zo lang die vrienden zyn, konnen zy zamen ontrouw plegen: maar wanneer daar tusschen twist komt, dan beklappen zy malkanderen, en 't gepleegde komt aan den dag; Harreb. I, 83; Handelsblad 9 Januari 1925 (A) p. 1: Als de kok met de keukenmeid kijft; Ndl. Wdb. III, 738.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut