Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kijker - in de uitdrukking in de kijker(d) lopen/zitten/staan enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kijker ‘optisch instrument’ -> Deens kikkert ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kikkert ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kikare ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kiikari ‘optisch instrument, verrekijker’ ; Ewe kyííkyì ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Deens); Gã kikyi ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Deens); Twi kyíkyì ‘optisch instrument’ (uit Nederlands of Deens); Indonesisch kékér ‘verrekijker; telescoop’; Ambons-Maleis kèker ‘optisch instrument’; Jakartaans-Maleis kékéran ‘verrekijker’; Javaans kèker ‘verrekijker’; Kupang-Maleis kèker ‘optisch instrument’; Madoerees kekēr ‘verrekijker’; Makassaars kêkeré ‘verrekijker’; Menadonees kèker ‘optisch instrument’; Ternataans-Maleis kèker ‘optisch instrument’; Papiaments keiker ‘optisch instrument’; Surinaams-Javaans kèker ‘optisch instrument’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1138. In den kijker(d) loopen,

d.w.z. in het oog loopen, in 't vizier vallen; iemand in den kijker hebben, iemand bespeuren, in de gaten hebben; fri. yn 'e kykert rinne, yn 'e kykert (of kyk) ha; in Groningen: iemand in de kiekert hebben, iemand niet vertrouwen, tegenover iemand op zijne hoede zijn (Molema, 199). Kijker in den zin van oog vinden we in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 173: ‘Iemand in 't oog hebben: sijn gedagten oover iemand laaten gaan, en op iemands doen letten gelijk ook alsoo gesegt werd, dat iemand in het oog, of de kijkerd, is’; vgl. ook de Enchuyser Ybocken (17de eeuw), bl. 32:

't Aesje was nau uyt de kijcker,
't Was hael op, en smijt weer uit.
't Dobbertje sonck als een spijcker.
Het was niet als buyt op buyt.

Zie verder C. Wildsch. IV, 228: Dan liepen ze hier gaauw in den kijkert; Br. v. Abr. Bl. I, 95; Harreb. I, 399; Dievenp. 18: U begrijpt dat 't niet lang duurde of ze liepen in den kijker; Sjof. 60: De nieuwe woning was maar tien minuten van den Binnenweg: je liep t'r niet zoo in de kijkert als verderop de straat in; Nkr. II, 6 Dec. p. 6; V, 29 Jan. p. 4; 5 Aug. p. 4; III, 27 Juni p. 2; het Twentsche ik heb hem op n' kiekert; oostfri. in de kiker hebben; hd. einen auf dem Kieker haben; nd. up wat en kiker hewwen (Reuter, 57); zie no. 606 en vgl. in de lampies loopen (Menschenw. 440Mag ook vergeleken worden het hd. (Jena) barg. keiken, keikertchen, oogen? Kluge, Rotw. 490.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut