Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kieuw - (ademhalingsorgaan bij vissen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kieuw zn. ‘ademhalingsorgaan bij vissen’
Mnl. kieuwe [1477; Teuth.] naast cuwe, cawe, couwe ‘kaak; kieuw’; vnnl. kieuwe, kouwe, keeuwe, kuwe ‘kieuw’ [1599; Kil.].
Mnd. kiwe, kewe ‘kieuw’; ohd. kio, kiuwa, kewa ‘kieuw, kaak’; oe. cīan (mv.) ‘kieuwen’; < West-Germaans *keuwa- < pgm. *kewa- ‘kaak, kieuw’, verwant met → kauwen. De varianten kunnen uit de West-Germaanse vorm verklaard worden; zie ook de varianten bij → trouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kieuw* [ademhalingsorgaan van vis] {cuwe [kaak] 1351-1400, kyewe [kaak] 1477, kieuwe [ademhalingsorgaan van vis] 1599} hoort bij kauwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kieuw znw. v., mnl. kieuwe ‘kaak van een mens, kieuw’, daarnaast cuwe ‘kaak, kieuw’, cawe, couwe ‘kaak’. Kiliaen heeft kouwe, keeuwe, kauwe, kuwe ‘keelgat, kaak, wang, kieuw’. — os. kio, mnd. kiwe ‘kieuw’, ohd. chewa, kewa, mhd. kiwe, kiuwe, kewe, kouwe ‘kaak, keelgat’, oe. cian mv. ‘kieuwen’. — Zie verder: kauwen, keeuwen en koon.

Verschillende grondvormen schijnen hier naast elkander te staan. Uit germ. *keuwan < kewan kan men verwachten *keuwō en *kewō. Uit het eerste kan kieuw, vgl. ook ohd. chiewa ‘kieuw’ ontstaan, uit het tweede vormen als kewa, kouwe.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kieuw znw., volgens Kil. “Sax. Fris. Holl. Sicamb. j. kouwe. Branchiae piscium” (Kil. kouwe, keeuwe, kauwe, kuwe “keelgat, kaak, wang, kieuw”), mnl. kieuwe v. “kaak, kieuw” (Mnl. Handwdb.). = Teuth. kyewe “id.”. Verwant met kauwen, maar de grondvorm is onzeker. Gaan kieuwen mnl. cûwe (nog dial.) “kaak, kieuw” en ohd. chiewa v. “kieuw” (nhd. käu) soms op *kiu-jôn-terug (vgl. nieuw)? Formeel is een grondvorm *²wô- mogelijk, maar deze zou genetisch geheel duister zijn. Verwante formaties zijn de boven uit Kil. geciteerde woorden en mnl. cawe, couwe v. “kaak” (nog dial.: Bommelerwaardsch, Antw.), ohd. kio, chëwa, chiwa v. (= Kil. keeuwe), mnd. kiwe, kewe “kieuw”, ags. cîan, chŷun “kieuwen”. De onderlinge verhouding van al deze vormen is moeilijk vast te stellen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kieuw v., Mnl. cuwe + Ohd. kiewa (Mhd. kiuwe, Nhd. keu), van Germ. wrt. kiw, met bijvorm kew = kauwen (z.d.w.). Hieruit Wa. chîve.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kieuw* ademhalingsorgaan van vis 1599 [kil]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut