Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kieskeurig - (veeleisend, moeilijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kieskeurig bn. ‘veeleisend, moeilijk’
Vnnl. kieskeurig ‘veeleisend, pretentieus’ in Der maten kieskeurig datze ... niet dan met mensche stronten vermaakt zijn ‘met zoveel pretenties ... dat ze uitsluitend tevreden zijn met mensendrek’ (over artsen die geen dieren wensen te behandelen) [1661; WNT]; nnl. kieskeurig ‘moeilijk, veeleisend, overdreven verfijnd’ in wees toch zo kieskeurig niet [1781; WNT], ook in de verbinding niet kieskeurig zijn ‘het niet zo nauw nemen’ in was Pompejus niet kieschkeurig in de middelen ‘kon het P. niet veel schelen welke middelen hij gebruikte’ [1844; WNT].
Gevormd uit → kiezen en → keurig, dat ook op kiezen teruggaat; letterlijk dus ‘nauwlettend in het kiezen’. Een andere mogelijkheid is dat kieskeurig gevormd is uit → kies 2 ‘fijngevoelig’ en keurig, dus ‘zeer fijngevoelig (in het kiezen)’. Deze vorming is dan vergelijkbaar met kies-(a)etigh ‘kieskeurig’ in Kiliaan [1599].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kieskeurig* [veeleisend] {1661} gevormd van kiezen (vgl. kies2) + keurig.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kieskauwen

Het is verleidelijk het eerste deel van de samenstelling kieskauwen op te vatten als: bestanddeel van het gebit, kauwtand, maaltand. Daarvoor pleit ook het woord kauwtanden dat vroeger werd gebruikt in dezelfde betekenis waarin wij nu kieskauwen bezigen, namelijk: treuzelend en met een zekere tegenzin eten. Maar er is meer voor te zeggen het woord te verbinden met het bijvoegelijk naamwoord kies dat ook voorkomt in kieskeurig: moeilijk te voldoen, veeleisend, nauwnemend, precies, fijn onderscheidend. Men moet dan aannemen dat iemand die zit te kieskauwen een zo fijne smaak heeft dat hij elk hapje dat hij in de mond steekt, keurt, onderzoekt. Er is voor beide verklaringen iets te zeggen, maar de tweede verdient de voorkeur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kieskeurig bnw. is samengesteld uit kies 2 en keurig, naar Heeroma Ts. 63, 1944, 25 meent ‘wegens de speelse ablaut’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kieskeurig bnw., nog niet bij Kil. Of uit kies (zie kies) + keurig, of uit den stam van kiezen + keurig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kieskeurig adj., eerste lid is oudere vorm van kiesch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kieskeurig ‘veeleisend’ -> Fries kieskeurich ‘veeleisend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kieskeurig* veeleisend 1661 [WNT kiesch]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut