Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kies - (maaltand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kies 1 zn. ‘maaltand’
Mnl. in de samenstelling den kiesetand ‘de kies’ [1440; MNW], kies [ca. 1460-70; Claes 1994a]; vnnl. keese, kies [1599; Kil.].
Mnd. kuse ‘kies’; ofri. kēse ‘kies’ (nfri. kies); < pgm. *kūsiō-, met in het Nederlands en het Fries Noordzee-Germaanse umlaut van lange -ū-. De verdere herkomst is vanwege het zeer beperkte verspreidingsgebied (Noord-Nederland en Noord-Duitsland) onzeker. Meestal wordt het woord ablautend in verband gebracht met de wortel van → kauwen < *ǵeuH-.
De klankwettige Nederlandse vorm zou *kuis < mnl. cūse zijn. Kiliaan vermeldt inderdaad vormen van *-ū-, namelijk kuyse, kuse ‘kies’ [1599] met de indicatie “Saksisch”; ook in huidige oostelijke dialecten komt nog kuze, kuus voor, naast Gronings koes, koeze. Kies is door zijn oorsprong in de eerste plaats Noord-Nederlands, maar door de invloed van de Nederlandse standaardtaal is dit woord ook in het BN gebruikelijk geworden. De oudere Zuid-Nederlandse woorden → baktand en maaltand zijn echter in het BN ook nog wel bekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kies1* [maaltand] {kiesetant 1440, kies ca. 1460-1470} hollands naast oudfries kese [kies], verwant met middelnederlands ke(e)sen [kauwen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kies 1 znw. v. Kiliaen noemt kiese Holl. en het is dan ook een holl. vorm van fri. kēse ‘kies’ < *kūsiōn. Dit levert de vorm nnd. kūse, vgl. Kiliaen kuyse, kuse Sax. Het woord behoort bij kauwen.

Het woord is uitsluitend noordnl.; in het Zuiden gebruikt men kaaktand, maaltand (vgl. J. L. Pauwels Hand. Comm. Top. Dial. 5, 1931, 283). Een kaart voor de dialectische woorden voor kies geeft P. J. Meertens, Taalatlas afl. 4, 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kies znw., sedert Kil.: “kiese. Holl.”. Laat-mnl. reeds kiesetant(d) m. “kies”. Keese, kiese geeft Kil. als “Sax. Fris. Holl.” op. Kies is een oorspr. fri. of holl.-fri. vorm < ofri. kêse v. “kies”, uit *kûsiô(n)-, waarop ook Kil. “kuyse, kuse. Sax. Dens molaris” teruggaat. In de saks. en aangrenzende streken zegt men nu kûzǝ zonder umlaut. Ook ’t Mnd. kent kûse v. “kies”. Van de basis van kauwen, germ. kû-: keu-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kies, met de saks. vorm kûzǝ, is een noordndl. woord. Voor de zuidndl. synoniemen (kaaktand, maaltand e.a.) zie J.L.Pauwels Hand. Comm. v. Top. & Dial. 5 (1931), 283 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kies 1 v. (tand), alleen in ’t Ndl. en ’t Fri. met bijvormen kese, kuse: z. keeshond.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kies. Het WNT noteert de verwensing ramp hebbe zijn kiezen!, waarbij iemand bederf en pijn in het gebit wordt toegewenst. De verwensing is niet in ons enquêtemateriaal overgeleverd. De emotionele betekenis is duidelijk: ‘ik heb een hekel aan je, hoepel maar op’. → hebben.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kies ‘maaltand; iets in de vorm van een kies’ -> Deens † kise ‘staaldraadkies, metalen klemconstructie, metalen nok’; Papiaments kis (ouder: kies) ‘maaltand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kies* maaltand 1440 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

980. Iemand de (of van de) huig lichten,

d.i. iemand de huig door aanraking met zout of peper doen inkrimpen of ook door het hoofd geweldig heen en weer te schuddenHet eigenlijke lichten geschiedt door iemand een enkel haartje uit de kruin van het hoofd te trekken; dat moet dan, volgens 't volksgeloof, juist het middelste haartje van 't hoofd zijn, anders baat het niet. En dit haartrekken is het eigenlijke lichten, oplichten van de huig. Immers men meent dat de huig, binnen door 't hoofd heen, juist aan dit haartje verbonden is; zie W. Dijkstra II, 263; Volkskunde XXI, 113.; fri. immen fen 'e hûch lichten; in Zuid-Nederland iemand den huik brekenSchuermans, 197 b; Antw. Idiot, 583.; bij overdracht iemand op bedriegelijke wijze het zijne afhandig maken; op zaken toegepast: ze ledigen. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon. Bij Sartorius III, 1, 65 lezen wij: de huych is hem al gelicht, humi haurit; zie verder Tuinman I, 184: hy is van den huig gelicht, de geldzak is hem ontfutzelt, zijn ponk (fri. ponge) is gekaapt; Halma, 230: iemand van de huich lichten, hem doorstrijken, bedriegen, knappenBed. Huish. 32: Laat ons een boetelje zamen van de huig lichten, een fleschje knappen. of betrekken; C. Wildsch. III, 287: Een fijne knevel, die niet ligt van den huig zoude te ligten zijn; V. Janus, III, 66; Ndl. Wdb. VI, 1220. De oorspr. bet. schijnt te zijn: iemand pijnlijk aandoen (vgl. no. 65) en vandaar hem van zijn geld berooven, hem snijden, hem bedriegen (vooral in geldzaken). Men zou dit kunnen opmaken uit de synoniemen: iemand een gat in den neus boren (Winschooten, 4; ook in Antw.); iemand van de kei (of van den steen) snijden (Sewel en Halma) en iemand lubben (Halma, 328), iemand snuiten, iemand een kies trekken (Sewel), iemand een tand, een kaaktand lichten, lossen, trekken (Schuerm. 710; De Bo, 476; 1132); iemand een hak zetten, die alle iemand bedriegen, afzetten beteekenen. Ook in het Oostfri. de hûk ligten, jemand betrügen und ihn rein ausziehen; Eckart, 221: en de Hûke lichten; zie ook Draaijer, 117. Dat men later zeide ‘iemand van de huig lichten’ kan hieraan zijn toe te schrijven, dat men tevens dacht aan ‘iemand van iets berooven’Zie voor dergelijke gevallen van contaminatie Noord en Zuid XX, 417 vlgg..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut