Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kier - (smalle opening)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kier zn. ‘smalle opening’
Mnl. die dore ... heeftse aenkerre laten staen ‘de deur heeft ze op een kier laten staan’ [1290-1310; MNW-R]; vnnl. de ... duer staat in keer ‘de deur staat op een kier’ [ca. 1610; WNT keer II], ick sal de poort in de kier setten [1610-20; WNT], een venster ... in 't kier setten [1651; WNT]; nnl. De deur staat op eenen kier (op het kier), een gelaat verscheen in dien kier [1889; WNT].
Mnd. enkar, enkare, ekarre ‘op een kier, half geopend’; nfri. kier-, kear ‘kier’, yn 't kier, yn 't ts(j)ier ‘op een kier’; me. on char ‘id.’ (ne. ajar); < pgm. *-karri-, *kairi- ‘draaiing’, dus met dezelfde stamvariatie als bij → keren en daarom wrsch. daarmee verwant. Zie ook → keer.
In het Middelnederlands komt alleen aenkerre voor, met daarvan afgeleide vormen als akerre. De huidige vorm kier verschijnt pas in de 17e eeuw en is overgenomen uit Gronings of Fries kier; in de 17e eeuw was het woord in het Nederlands ook onzijdig, net als in het Nieuwfries. Bij Siegenbeek (WL 1805) is het woord al mannelijk. Kier is synoniem met de oorspr. betekenis van reet, bijv. in de op eene reet staande deur [1847; WNT reet I], maar werd aanvankelijk alleen met een voorzetsel in bijwoordelijke bepalingen gebruikt, in de betekenis ‘op een kier’. De snelle verbreiding van kier aan het eind van de 19e en in de 20e eeuw zou verklaard kunnen worden doordat in diezelfde periode reet een betekenisvernauwing tot ‘bilspleet’ onderging en een vulgair woord werd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kier* [spleet] {in de kier [net open] 1611-1620; in de betekenis ‘spleet’ 1887} geïsoleerd uit de verbinding middelnederlands akerre, aker, aenkerre [op een kier (van deur)] {1350} middelnederduits enkare, engels ajar < on char, fries yn 't kier van keren1, middelnederlands keren, ook kieren [keren, draaien], dus ‘het openzetten van de deur’. De ie is wellicht Friese invloed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kier znw. m. v., eerst na Kiliaen zal wel < fries kier overgenomen zijn (vgl. de uitdrukking ynt kier); daarnaast ook fri. kear. Vgl. verder mnl. kerre in aenkerre, akerre ‘op een kier’, mnd. enkare, nhd. dial. (Berner-Oberland) achar, en ouder-ne. on char, a char (ne. ajar). — Misschien te verbinden met oe. cier ‘keer, maal, gelegenheid’ en dan verwant met keren 1. Dan moet men uitgaan van de opengedraaide deur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kier znw., nog niet bij Kil. Of = keer met dial. uitspraak ie (voor de bet. vgl. hieronder) òf (minder wsch.) vervormd uit mnl. kerre in aenkerre, akerre (staen) “op een kier (staan)”; vgl. mnd. enkare “op een kier”. De klankwettige voortzetting van mnl. kerre bestaat nog dial. (gron.). ’t Fri. heeft kear en kier “kier”. Mnl. kerre “kier” wordt gew. met mnl. kerren “kraken” (zie kermen) gecombineerd, ’t kan echter ook = ags. cier(r) m. “keer, maal, gelegenheid” zijn, oorspr. = “het draaien”, bij cierran, wgerm. *karrian (zie keren). Hierbij ook ouder-eng. on char, a char (eng. ajar) “op een kier”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kier m., in op een kier, vervormd uit Mnl. akerre + Mndd. ankerre, Eng. ajar: waarin het voorz. in of aan en het verbaalabstr. van Mnl. kerren = kraken; dus = op het punt staande van te kraken (z. korren).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kier: (vulgair) vrouw. Letterlijk: opening, en vandaar een slangterm voor het vrouwelijk geslachtsorgaan. Overdrachtelijk voor de vrouw. Vgl. in dezelfde zin gleuf*.

Trouwes, ik heb eens een keer ’n zwarte kier genaaid in Oran, daar konden we met de héle compagnie tegelijk wel in rondmarcheren. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
Kier: vrouw. (Piet Grijs, Blijf met je fikken van de luizepoten af, 1972)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kier (Fries kier)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kier spleet 1887 [WNT] <Fries

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut