Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kienhout - (fossiel veenhout)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kienhout* [harsrijk, uit het veen afkomstig dennenhout] {1599} (door Kiliaan Duits genoemd) middelnederduits kēn, oudhoogduits kien, kēn, oudengels cēn [pijnboom, fakkel], oudiers gius [pijnboom]; verwant met kiem, met de grondbetekenis ‘splijten’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kien znw. o., vooral in kienspaan ‘spaan van kienhout als verlichtingsmiddel’, mnd. kēn, ohd. chien, chēn, kien, kēn (nhd. kien), oe. cēn ‘spaan van harsrijk naaldhout als verlichtingsmiddel’ < germ. *kē2na- abl. naast oe. cīnan ‘splijten’, waarvoor zie verder: kiem.

Mnl. kien bet. ‘pijnboom’ (nog bewaard in plaatsnamen als Kinrooi); met nl. kolonisten overgebracht naar het rechtselbische gebied, waar kiëne heerst in plaats van het nhd. kiefer, vgl. Teuchert Sprachreste 215-6.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kienhout o., + Ohd. kien (Mhd. en Nhd. kien), Ags. cén = pijnboom, fakkel + Oier. gius = pijnboom.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kienhout, verhard (fossiel) hout uit het veen opgedolven en als toorts enz. gebruikt, ’t Eerste lid is ’t zelfde als pijnboom.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut