Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kiekje - (foto)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kiekje zn. ‘foto’
Nnl. dezen [photograaf] “een kiekje” te laten nemen [1889; Groene Amsterdammer], kiekie “schertsende benaming, eerst voor een slechte, daarna voor elke photographie” en kiekje “(stud.) photographie instantanée, vooral van een gezelschap in feeststemming” [beide 1899; Woordenschat], een kiekje ... uit een mooie streek in ons land [1909; NRC].
Eponiem, genoemd naar Israël David Kiek (1811-1899), sinds 1858 fotograaf in Leiden.
Kieks klantenkring bestond vooral uit studenten. Zijn portretfoto's waren van matige kwaliteit waardoor het woord kiekje ook ‘foto van matige kwaliteit’ ging betekenen.
Lit.: Sanders 1993, 111-113

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kiekje [amateurfoto] {1899} genoemd naar de Leidse fotograaf Israël David Kiek (1811-1899). Betekende oorspr. ‘groepsfoto’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kiek ’n

Kiek is in het spraakgebruik de naam van een foto door een amateur genomen, zo maar, op ’t strand, bij een uitstapje, ’s zomers in de tuin. Velen denken dat het samenhangt met het woord kijken; dialectisch wordt dat dikwijls als kieken uitgesproken en het is duidelijk dat je goed moet kieken om goed te kunnen kieken.

Het woord kiek kan natuurlijk niet oud zijn: het is pas ontstaan toen er gefotografeerd werd, dus na 1840 ongeveer. Toen was er in Leiden een fotograaf die Kiek heette en de Leidse studenten noemden het product van ’s mans kundigheden al gauw een kiek, zoals een rond chocolaatje naar de fabrikant Caspar Flick een flik heet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kiek znw. of kiekje eerst in de 19de eeuw gevormd in de Leidse studententaal naar de fotograaf Kiek (misschien met bijgedachte aan kijken, vgl. J. A. N. Knuttel Ts. 65, 1947, 23-24). — Zie ook: bokje en flikje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kiek znw. Uit de studententaal. Oorspr. de naam van een photograaf in Leiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kiekje o., naar den Leidschen photograaf Kiek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kiekie s.nw. Selde ook kiek.
Kleinerige foto, gewoonlik deur 'n amateur met 'n handkamera geneem.
Afleiding met -ie van kiek, die van van die Leidse Joodse fotograaf, Israel Kiek, wat veral studentefoto's geneem het.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

kiekje, gelegenheidsfoto
De almanakredactie van het Leidse studentencorps maakte op zaterdag 22 januari 1876 een uitstapje. ‘We maakten van de gelegenheid gebruik’, notuleerde een van de studenten, ‘om even naar den photograaf Kiek over te wippen, die echter in de stad [...] zijn verblijf scheen te houden. Daar reden we heen en ofschoon we niet zijne scrupules [met ons] mee te rijden, mochten overwinnen, want het was Sabbat en Kiek is een Israëliet, lachte de negotie hem te sterk toe, dan dat hij ons zijne diensten zou weigeren. Hij rende ons naar zijn laboratorium vooruit, en spoedig waren wij gegroepeerd, als groep genomen en vertoonde ons het negatief een deftige almanakredactie.’
Natuurlijk is kiekje meermalen door taalkundigen in verband gebracht met kijken, maar al sinds het einde van de vorige eeuw weet men het zeker: Kiek was ‘oorspronkelijk de naam van een photograaf uit Leiden’.
Israël David Kiek werd eind april 1811 in Groningen geboren als zoon van een horlogemaker. Hij werkte eerst als kistenmaker, later als schrijnwerker, vleeshouwer en loterijcollectant. Nadat hij in Gouda en Amsterdam had gewoond, vestigde Kiek zich in 1855 met zijn vrouw en negen kinderen in Leiden. Op zijn 47ste begon hij daar een nieuw beroep: in 1858 vermeldt het Adresboekje van Leiden hem voor het eerst als ‘portraitteur’, een jaar later als ‘photograaph’.
Kiek had zijn atelier even buiten de Rijnsburgerpoort, een strategische plek tussen de studentensociëteit en het station. ‘Photographie des Maandags en Donderdags’, adverteerde hij in het Leidsch Dagblad, ‘drie album-portretten à eene gulden’.
De studenten waren zijn beste klanten. Niet dat zijn foto’s nu zo goed waren. Ingeborg Th. Leijerzapf spreekt in haar gezaghebbende artikel ‘Israël Kiek &C Zonen’, in 1984 gepubliceerd in Geschiedenis van de Nederlandse fotografie in essays en monografieën, van ‘zeer onacademisch gecomponeerde groepsportretten’.
De studenten hadden hier zelf de hand in. Het werd gewoonte om, na de hele nacht te zijn doorgezakt, zeer vroeg in de ochtend bij Kiek aan te kloppen. ‘Om gefotografeerd te kunnen worden’, memoreerde een oud-student in 1947 in een kranteartikel, ‘moest eerst Kiek door groot lawaai uit de slaap worden gewekt: bonzen op zijn deur en schreeuwen, vaak met onheuse uitdrukkingen en scheldwoorden. [...] Dan verscheen de grote man, op gebloemde pantoffels en gekleed in een sjamberloek en nam hij, al pruttelend en zachtjes terugscheldend, het gezelschap mee naar het plaatsje achter zijn huis. [...] Hij peilde de duisternis en deelde mee, hoeveel tellen de opname zou duren. Waren het honderd tellen, dan liet soms een grappenmaker zich kieken met twee hoofden: vijftig tellen het hoofd op de rechterschouder, vijftig tellen op de linker [...] Als Kiek soms, wegens het grote rumoer, niet kon beginnen, uitte hij de klassiek geworden wanhoopskreet: "Heren, heren, de kunst moet voortgang hebben."‘ Dit gebeurde niet één keer, maar duizenden keren, want volgens Leijerzapf dienden de rommelige en onscherpe kiekjes, zoals ze al spoedig werden genoemd, ‘voor de studenten als bewijs "er bij te horen".’
Kiek hield het lang vol. Hij liet de gebeurtenissen lijdzaam over zich heen komen en stond zelfs toe dat studenten voor een kiekje op het dak van zijn atelier klommen. Toen hij 85 was hield hij het voor gezien. Zijn vrouw was inmiddels overleden en Kiek verhuisde naar een van zijn dochters in Arnhem. Twee jaar later keerde hij terug naar Leiden, waar zijn zoon Lion de zaak had overgenomen.
Kiek stierf op 14 mei 1899. Twee jaar eerder schreven De Beer en Laurillard: ‘kiekie, schertsende benaming, eerst voor een slechte, daarna voor elke photographie; naar Kiek, een kermis-photograaf.’

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kiekje, uit de studententaal overgenomen, oorspr. een foto van fuivende studenten door den Leidschen fotograaf Kiek gemaakt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kiekje, kiek ‘amateurfoto’ -> Fries kyk ‘foto’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

kiekje [foto] (1865). Rond 1865 ontstaat het woord kiekje voor een foto: het woord is geen afleiding van kieken ‘kijken’, maar genoemd naar de Joodse fotograaf Israël Kiek in Leiden (overleden in 1899). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal meldt hierover dat “fuivende studenten indertijd, na een feest, inzonderheid in den vroegen morgen na een nachtfeest, een groepje lieten maken. [...] De naam is [...] niet ontstaan op den Maresingel, doch op den Stationsweg (bij den voormaligen tol, tusschen de Rijnsburgerpoort en Zomerzorg), waar de oude Kiek reeds in 1865 (misschien reeds vroeger) photo’s maakte, die ‘kiekjes’ werden genoemd.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kiekje* amateurfoto 1899 [DBL]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1134. Kiekje.

Een kiekje is eene photographie, oorspronkelijk voorstellende een groep of troep fuivende studenten; later elke photographie, vooral door liefhebbers gemaakt. De naam kan ontleend zijn aan den Leidschen photograaf Kiek, die vele studenten, vooral na een feest, in den vroegen morgen op een prentje heeft gezetTaal en Letteren IV, 270; X, 105; Woordenschat, 562., doch de mogelijkheid, dat we in kiekje de volksuitspraak van kijkje moeten zien is niet uitgesloten; vgl. brillekiek en rarekiek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut