Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kibbeling - (gezouten kabeljauwswangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kibbeling zn. ‘gezouten kabeljauwswangen’
Vnnl. kibbelinge van gesoute vis [1648; WNT]; nnl. kibbeling van gezoute visch [1776; Des Roches], kibbeling ‘de kieuwen of kaken van gezouten kabeljauw’ [1811; Blussé].
Afleiding met het achtervoegsel → -ing van West-Vlaams en Zeeuws kibbel ‘kieuw, kaak van een vis, tandeloze kaak’ (meestal mv. kibbels, kibbelen), een variant met West-Germaanse geminatie voor -l- (Schönfeld, par. 52b) van kevel ‘kaak, kaakbeen’, West-Vlaams kavel ‘kaak(been), tandeloos gebit; kieuw’, bij het bn. mnl. kevel ‘tandeloos’ [1321; MNW]. Het is niet duidelijk of er verband is met → kieuw ‘ademhalingsorgaan van vissen’, oorspr. ‘kaak, kaakbeen’, bij → kauwen. FvW denkt aan mogelijke verwantschap met → kever en een grondwoord dat ‘knagen, vreten’ betekent.
Os. *kaƀal (alleen als datief mv. kaflun); mhd. kivel, kiuwel (nhd. Kiefer, dial. Kiefel); oe. ceafl (ne. jowl); alle ‘kaak, kaakbeen, kin enz.’; < pgm. *kabal-, *kebil-, wrsch. met een achtervoegsel als in → druppel. Daarnaast met ander achtervoegsel on. kjaptr ‘kaakbeen’ (nzw. käft). Jonge vormen zonder achtervoegsel: Zeeuws kibbe ‘tandeloze kaak, vooruitstekende kin’; nnd. kibbe(n) ‘kaak, kieuw, kin’.
Kibbeling had vroeger ook een algemenere betekenis als verzamelnaam voor verschillende minderwaardige delen van de gezouten kabeljauw. Bekend is het woord tegenwoordig vooral in de specifieke betekenis ‘stukjes gepaneerde en vervolgens gefrituurde kabeljauw of koolvis’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kibbeling* [de wangen van de kabeljauw] {1658} hoort bij kevelen, kevels.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kibbeling znw. v. ‘wangen van de kabeljauw’, daarnaast ook de vormen kibbelen en kibbels, eerst na Kiliaen bekend. Het is een jongere intensief-formatie naast mnl. kevel ‘kaak’, waarvoor zie: kevels.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kibbeling (wangen van den kabeljauw), evenals ’t synonieme kibbels, kibbelen mv. nog niet bij Kil. Sluit zich aan bij dial. kevel. Zie kever.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kibbeling v., met Hgd. kablen, bij kevel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kibbeling, kiebeling, zn.: afval van kabeljauw kabeljauwkaken en –kieuwen, gezouten kabeljauwswangen. Vaak mv. kibbels ‘visafval, gezouten stukjes van de kop van kabeljauw’. Nnl. 1648 kibbelinge van gesoute vis (WNT), 1776 kibbeling van gezoute visch (Des Roches), 1811 kibbeling ‘de kieuwen of kaken van abberdaan’(Blussé]. Afleiding op -ing van kibbel. Het woord is West-Vlaams kibbel ‘kieuw’ (De Bo), Zeeuws kibbels ‘kaken van een vis; tandeloze kaken’ (Ghijsen). Dat is een variant met occlusieve geminatie van kevel ‘kaak, kaakbeen’: Middelnederlands kevel ‘kaak, tandeloos’, kavel ‘kaak, kieuw’, West-Vlaams kavel ‘kaak(been), tandeloos gebit; kieuw’ (De Bo), Oudsaksisch kaflos ‘kaken’, Middelhoogduits kivel, kiuwel ‘kin’, Duits Kiefer ‘kaakbeen’, Oudengels ceafl, Oudnoords kâfl ‘kaak van een dier’. Kibbel/kevel is afgeleid van kibbe: Zeeuws. kibbe ‘tandeloze kaak, vooruitstekende kin’, Nederduits, Oost-Fries kibbe(n) ‘kaak, kieuw, kin’. Daarnaast staan Nederlands kieuw ‘kaak, kaakbeen’, Middelnederlands. cuwe, kieuwe ‘kaak, kieuw, kaakbeen’, Oudhoogduits kio, chiwa, Middelnederduits kiwe, kewe, bij kauwen, Oudhoogduits kiuwan, Middelhoogduits kiuwen, Oudengels cêowan.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kibbeling, zn., verzamelnaam: kaken van de labberdaan, kabeljauw. Wvl. kibbelinge ‘armeluisgerecht van kabeljauwkaken en -kieuwen’. Afl. van kibbel ‘kieuw’, vaak mv. kibbels (Wvl., Zvl.) ‘visafval, gezouten stukjes van de kop van de kabeljauw’. Var. van kevel ‘kaak’, met occlusieve geminatie (bb). Vgl. Ndd., Oost-Fri. kibbe(n) ‘kaak, kieuw, kin’. Daarnaast Wvl. kavel ‘kaak, kaakbeen, tandeloos gebit; kieuw’ (De Bo). Mnl. kavel ‘kaak, kieuw’, kevel ‘kaak, tandvlees’. Os. kaflos ‘kaken’, Mhd. kivel, kiuwel ‘kin’, D. Kiefer ‘kaakbeen’, Oe. ceafl. Idg. wortel *geb(h)- ‘kaakbeen, mond, eten’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kibbelinge (O, DB, Z), zn. v.: armemensenkost, gerecht van kabeljauwkaken en kieuwen. Afl. van kibbel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal