Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kibbelen - (redetwisten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kibbelen ww. ‘redetwisten’
Mnl. kibbelen of disputeren ‘redetwisten’ [1437; MNW-P], ook in de afleiding kibbelinghe ‘gekibbel’ [1400-50; MNW].
Frequentatief met expressieve geminatie van → kijven.
Mnd. kibbelen, kevelen; mhd. kibelen, kivelen (nhd. kibbeln); nzw. käbbla.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kibbelen* [ruzie maken] {kiblen, kyblen 1477} iteratief van kijven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kibbelen ww., later-mnl. kibbelen, kebbelen, mnd. kibbelen (ook. kevelen), mhd. kibelen, kivelen (nhd. kibbelen).

Zeker kan men dit woord als iteratief met affectief-verdubbelde -bb- bij kijven plaatsen. Maar anderzijds is te herinneren aan mnd. kibbelen, kabbelen ‘luid praten’ en aan mhd. kifelen naast kiven, kiffen ‘knagen’ te vergelijken met nnoorw. kjava ‘kibbelen’ (eig. ‘de kaken bewegen’) en deze kan men het best verbinden met de woorden kevels en kever (IEW 382).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kibbelen ww., later-mnl. kibbelen, kebbelen. = nhd. kibbeln (mhd. kibelen, kivelen), mnd. kibbelen (naast kēvelen). Iterativum van kijven. Vgl. bibberen. Opvallend is ’t synonieme mnl. mnd. kabbelen: misschien een jong-opgekomen ablautformatie, te verklaren uit ’t onomatopoëtische karakter, dat kibbelen voor ’t taalgevoel heeft. Mnd. ook kibben = fri. kibje “kijven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kibbelen ono.w., intens. van kijven.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kibbelen, frequ. van kibben = de kaken bewegen en fig.: kijven (zie Kever). Vgl.: „Kibbende (kijvende) als knaghende honden.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kibbelen ‘ruzie maken’ -> Zweeds käbbla ‘ruzie maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Singalees kēvel ‘twisten, ruziën’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kibbelen* ruzie maken 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut