Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kever - (schildvleugelig insect (orde Coleoptera))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kever zn. ‘schildvleugelig insect (orde Coleoptera)’
Onl. keuera ‘kever’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. kever ‘kever’ in die achtenste plaghe ... keeveren ende spelthanen ‘de achtste plaag ... kevers en sprinkhanen’ [1390-1410; MNW-R].
Os. kevera ‘kever’; ohd. kevar, kevero ‘kever’ (nhd. Käfer, waaruit door ontlening nde. kæfert ‘roes’); oe. cefer (ne. chafer); < pgm. *kebra-, kebrōn; naast ablautend *kabru-, waaruit oe. ceafor ‘id.’. Vrijwel zeker hoort dit woord bij pgm. *kabal-, met umlaut *kebil- ‘kaak’, zie → kibbeling.
De voor-Germaanse etymologie is onzeker. Pgm. *-b- kan zowel op pie. *-bh- als door grammatische wisseling op pie. *-p- teruggaan. Bij pie. *ǵebh- ‘eten, vreten’ zijn verwant: Litouws žė̃bti, žė́bėti ‘langzaam eten’; Oudkerkslavisch -zobati ‘eten’ (Oudrussisch zobati ‘eten’, Tsjechisch zobat ‘pikken (van vogels)’). Bij pie. *ǵep- ‘mond, bek’ (IEW 382) is alleen Oudiers gop ‘bek’ < Proto-Keltisch *gobbo- verwant. Indien het werkwoord mhd. kifen, kiffen ‘knagen, kauwen’, nfri. k(j)ifje ‘id.’, oud is en dus op pgm. *kifan- teruggaat (FvW), moet men pie. *-p- aannemen.
In het Oud- en Middelnederlands, en evenzo in de vroege Duitse attestaties, wordt de kever steeds genoemd in verband met de schade die hij aan gewassen aanricht. Een algemener woord voor diverse keversoorten was mnl. wevel. Dat woord komt in het Nederlands alleen nog gewestelijk voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kever* [insect] {oudnederlands kevera 901-1000, middelnederlands kever} oudsaksisch kevera, oudhoogduits kevaro, oudengels ceafor (engels chafer), waarschijnlijk van kevel (vgl. keuvelen); de betekenis is dan ‘knager’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kever znw. m., mnl. kēvere, kēver m., onfrank. kevera v., os. kevera v., ohd. chevaro, chevar m., waarnaast abl. oe. ceafor m. (ne. chafer) < germ. grondvorm *keƀra- : kaƀru-. — Waarschijnlijk is het insect naar zijn sterke kaken genoemd en hangt het woord dus samen met de groep van kevels. — Zie ook: keuvelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kever znw., mnl. kēver(e) m. = onfr. këvera v., ohd. chëvaro, chëvar m. (nhd. käfer), os. këvera v., met ablaut ags. ceafor m. (eng. chafer) “kever”: germ. *këƀra-, *kaƀru-; of germ. f? -fr- uit -ƀr- is ook op hd. gebied mogelijk. Als de oorspr. bet. “vreter” was — anderen meenen minder wsch.: “kaak-dier” — kan kever van de idg. basis ĝebh- komen, die reeds bij kaf ter sprake kwam en waarvan verder nog komen: 1. in ’t Germ.: mnl. kēvel m. “kaak, tandvleesch, gehemelte” (nog dial.; zie keuvelen), als bnw. “tandeloos”, mhd. kiver, kivel m. (nhd. kiefer); os. kaflos m. mv. “kaken”, ags. ceafl m. “kaak”, vla. kavel “tandelooze kaak, kieuw”; on. kâfl m. “kaak van een dier”, kjǫptr, kjaptr m. “kaak”, 2. buiten ’t Germ. ier. gop, nier. gob “mond, snuit” (idg. -bhn-), lit. żėbiù “ik eet met lange tanden”. Echter kunnen de germ. vormen ook, ’t zij we van oergerm. -ƀl-, -ƀr- of van -fl-, -fr- uit gaan, idg. p hebben en ’t nauwst met av. zafar- “mond, muil” verwant zijn. Dit is ’t eenig mogelijke, als we mhd. kifen, kifelen “knagen, kauwen” (vgl. Teuth. keveren “herkauwen”), ndd. kiffe “kinnebak” direct vergelijken en voor oude woorden houden. Voor een synoniem idg. ĝembh- vgl. kam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kavelen. Ofri. kavelia ‘verloten’ uit het Mnl.
Als grondbet. van kavel en zijn germ. verwanten zou ‘afgebroken, afgespleten stuk (hout)’ in aanmerking kunnen komen. Kabbelen (zie ald. Suppl.) in bepaalde bett. kan dan verwant zijn, en eventueel kunnen deze woorden bij de groep van kever (zie ald. sub 1. de germ. woorden voor ‘kaak’: ospr. ‘snijder’?) behoren; blijft onzeker. Zie hierover v.Lessen Tschr. 49, 263 vlgg., die ook nnl. ndd. kalf ‘afgezakte aarde aan een slootkant, het door afschuiving ontstane gat’ verwant acht (met metathesis, vgl. naald).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kever m., Mnl. id., Os. keƀera + Ohd. kevar (Mhd. kever, Nhd. käfer), Ags. cefr en met abl. ceafor (Eng. chafor): van denz. wortel als kevel, indien = knaagdier, of als kaf, indien = peuldier.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kever: 1) (Bargoens) man uit de provincie. Vermeld door Endt (1974).

Hij had vanzelf meteen doorgehad dat ik de kever was die zich de wielen van de wagen had laten halen. (Harry Boting, Wie geeft me jatmous? 1965)

2) (meestal meervoud) (soldatentaal) infanterist.

Rein wist, maar hij zei uit goede bron, dat er drie detachementen infanteristen op het Weesperpoortstation waren aangekomen, ‘allemaal kevers, ze hebben ’t gras nog tussen de kiezen.’ (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)

3) onnozele hals; sukkel.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kever, van den Germ. wt. kef: een kauwende beweging met den onderkaak maken. (Vgl. ons kevel: tandvleesch zonder tanden; en kieuw.) Alzoo wil kever eig. zeggen: het knagende dier. Van dit kef (met bijvorm kif) is ook gevormd ons keffen en kijven: de kaken bewegen. Vgl. Cats: „Uw wangen sonder blos, uw kibben (= kaken) zonder tanden”. Vandaar kibbelen, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kever ‘insect’ -> Fries kever ‘insect’; Frans dialect kīf, kīvr ‘meikever’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kever* insect 0901-1000 [CG WPs Gloss.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut