Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keuvelen - (babbelen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

keuvelen ww. ‘babbelen’
Aangetroffen vanaf de achttiende eeuw, bijv. bij Van Hoven (De Gewaande Krygsman, 1715): Polyxena, die most daer sneuvlen / en Priam die noch wat wou keuvlen. Keuvelen is door ronding van ee tot eu ontstaan uit het slechts enkele malen aangetroffen ww. kevelen ‘langdurig kauwen, de kaken langdurig bewegen’ (1710, in het woordenboek van Halma, waarin als synoniem babbelen wordt gegeven). De ronding tot eu naast de lipklank v is vergelijkbaar met Hollands beuzem voor bezem, algemeen zeuven voor zeven, en dergelijke. Dialectvormen die verwant zijn aan kevel maar teruggaan op een andere Oudnederlandse vorm zijn Westvlaams en Zeeuws kibbel ‘kaak, viswang’ en Westvlaams kavel ‘tandeloze kaak; kieuw van een vis’.
Kevelen is een afleiding van Middelnl. kevel ‘tandeloos’ (1321; in de Vlaamse en Hollandse bijnaam Kevelaert al in 1276), Vroegnieuwnl. kevel ‘kaakbeen, de kaak zonder de tanden’, waarnaast ook kever bestaat (vgl. Duits Kiefer). Het langdurig kauwen met tandeloze kaken (mummelen), eigen aan kleine kinderen en oude mensen, is hier overdrachtelijk gebruikt voor ‘langdurig doelloos kletsen, babbelen’. Zie onder babbelen voor een vergelijkbare betekenisontwikkeling.
Verwante vormen: Oudsaksisch kaflos ‘kaken’, Mhd. kivel, Mohd. Kiefer ‘kaak’, Oudengels ceafl, ME chauel, MoE jowl ‘kaak, wang’. Ned. kevel en Mhd. kivel komen uit PGm. *kebil- terwijl Westvlaams kavel alsmede de Oudsaksische en Engelse vormen op *kabal- wijzen. Mogelijk zijn ze beide afgeleid van een Indo-Europese wortel *ǵebh- ‘eten, vreten’ waarbij ook kever kan horen (als ‘vraatzuchtig insect’). Westvlaams en Zeeuws kibbel ‘kaak, viswang’ is ontstaan uit *kebil- door geminatie van WGm. *b voor l, zie verder onder kibbeling.
[Gepubliceerd op 23-10-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keuvelen* [babbelen] {1724} nevenvorm van kevelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keuvelen ww., een eerst vroeg-nnl. woord, dat evenals keuzelen een klankschilderend element heeft. Misschien mag men vergelijken dial. keuvels (Zaans) ‘tandeloze kaak’ en dan dus uitgaan van het mummelen van een oud besje. — Men kan verder vergelijken mhd. kifen, kifelen ‘knagen, kauwen’, vgl. Teuth. keveren ‘herkauwen’. De wisseling van de klinkers is toe te schrijven aan affectieve klankvarianten. — Zie verder: kever.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keuvelen ww., nog niet bij Kil. Vgl. dial. (Zaansch) keuvels = kevels “tandelooze kaak”: zie verder bij kever.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keuvelen ono.w., bijvorm van kevelen, afgel. van kevel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keuvelen ‘babbelen’ ->? Deens kævle ‘babbelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis kéwel ‘babbelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keuvelen* babbelen 1724 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut