Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keuterboer - (kleine boer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keuter1* [kleine boer] {cot(t)er, keuter 1420} oostelijk middelnederlands cater, van cote [hut] (vgl. kot).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keuterboer znw. m., cōter, keuter, (oost-mnl.) cāter ‘bewoner van een kleine boerderij’, vgl. os. cůtere, mnd. kōter, koterer, nnd. ook kötner, kätner. — Afl. van mnl. cōte v. m.?, mnd. cōte v. m., oe. cote ‘klein huisje, hut’, waarvoor zie: kot.

De vorm met a voor o is saksisch. — Een andere naam voor de kleine boer is *kot-sâte, vgl. mnl. (brab.) cossate, cossete, mnd. kotsete, nhd. kossat, kossäte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keuterboer znw., mnl. — en nog dialectisch — niet samengesteld cōter, cȫter m. “kleine boer” (vooral in de saks. streken). = os. cůtere, mnd. kōter (kōterer) m. “id.”. Afl. van mnl. cōte v. (m.?), mnd. cōte v. m. “hut”, ags. cote, cyte v. “id.”. Verwant met kot. Saks.-mnl. en mnd. komt ook cāte voor, met de gewone ā uit o in open syllabe, nog over in Colmschate, Ten Cate e.dgl. namen; evenzoo mnl. cāter, nnl. dial. kater “keuterboer”; ook fri. koat(t)erboer “keuterboer”. Een mnl. (vooral brab.) synoniem van cōter is cossate, cossete m. (uit *cot-sâte) = mnd. kotsete m. (nhd. kossat, kossäte) “keuterboer”. Voor -sâte zie drossaard.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

keuterboer. Ags. cyte is wsch. als cŷte (= ws. cîete) te lezen en staat met ags. cote, mnl. cōte in ablaut. Dezelfde vocaalphase heeft het bij kot genoemde noorw. dial. køyta ‘hut van takken gevlochten, visben’. Zie verder kot Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kater 3 m. (pachter), met bijvorm keuter + Ndd. köter: dial. afleid. van kot = hut.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keuter* kleine boer 1420 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut