Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ketting - (reeks schakels, band)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ketting zn. ‘reeks schakels, band’
Mnl. eerst de vorm ketten ‘ketting’ [1430-50; MNW-R], een gulden ketten ‘een gouden ketting’ [1470-90; MNW-R], dan kettengen ‘kettingen’ [1499; WNT]; vnnl. kettinck ‘ketting’ [1516; MNW scabel], groote lange ysere kettingen [1563; WNT vestigen].
Gevormd uit ketten, nevenvorm van → keten, met vervanging van de uitgang -en door -ing, waarbij op den duur betekenisonderscheid werd gekoppeld aan vormonderscheid. Een dergelijke verwisseling komt meer voor, bijv. bij hantvestinge ‘oorkonde, handvest’ dat voorkwam naast hantvestene (WNT hantvest). In het Fries heeft keat, dat waarschijnlijk uit een langere vorm op -en (vergelijk ofri. katene, keten(e)) geabstraheerd is, naast ‘ketting’ (dial.) de betekenis ‘schalm, schakel van een ketting’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ketting [samenstel van schakels] {kettinc 1401-1500} van middelnederlands kettene met het achtervoegsel -ing (vgl. keten). De uitdrukking hij is van de ketting wil zeggen: als een hond die los is gemaakt van de ketting.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ketting znw. m. v., mnl. (noordnl.) kettinc is door suffixsubstitutie uit mnl. kettene ontstaan. — Zie: keten. Daarnaast komen voor afleidingen als zuidnl. ketel, kettel ‘ketting’ > nhd. dial. kettel ‘haak om een venster vast te zetten’ (waarvoor vroeger een ketting diende), in de Altmark overgebracht door nl. kolonisten (vgl. Teuchert Sprachreste 261).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keten znw., mnl. kēten(e) v. Uit lat. catêna “keten”, wsch. via ’t Rom.; voor de klankontwikkeling vgl. edik bij azijn en munt I. Op een rom. vorm met d uit t (de grondvorm o.a. van fr. chaîne) gaat ohd. chetin(n)a (nhd. kette), mnd. noordoost-mnl. kēde(ne) v., ofri. kede “ketting” terug. Voor den grondvorm met d vgl. abt. Blijkens westf. kiǝte naast kîe “ketting” is de t-vorm ook in ’t Ndd. ontleend. Mnl. komt ook ketten(e) v. voor (uit ketne? vgl. bij monnik), zelden reeds met suffixsubstitutie noordndl. kettinc (nnl. ketting).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ketting m., vervormd uit kettine, ketine, oudere vormen van keten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kèttel (zn.) ketting; Middelnederlands ketten <1430-1450>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ket 1, keet, kedde, zn.: ketting. D. Kette ‘ketting’ < Ohd. ketin(n)a, Mhd. keten(e, Mnd. kêde naast kêdene < volkslat. cadena, Lat. catêna. Volgens Weijnen zou de vorm te verklaren zijn door een regressiefout omdat keten als meervoud werd aangevoeld. Maar vermoedelijk is de uitgang gewoon geapocopeerd, zoals in Ndd. kêde.

kettel, zn.: ketting. Afl. van ket ‘ketting’ (zie i.v.).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ket 4, keet, kedde, zn.: ketting. D. Kette ‘ketting’ < Ohd. ketin(n)a, Mhd. keten(e, Mnd. kêde naast kêdene < volkslat. cadena, Lat. catêna. Volgens Weijnen zou de vorm te verklaren zijn door een regressiefout omdat keten als meervoud werd aangevoeld. Maar vermoedelijk is de uitgang gewoon geapocopeerd, zoals in Ndd. kêde.

kettebuis, zn.: proppenschieter. Het eerste lid is klanknabootsend voor het geluid. Zie verder klakkebus.

kitting, zn.: meikever. Vgl. Rijnlands kitz ‘meikever’. Misschien afl. van kit ‘klein paard’ (Stroop 1980).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

keet, ket, kedde ketting (zuidelijk Oost-Vlaanderen, Groningen, Brabant). ‹ keten, dat als meervoud werd gereïnterpreteerd, « lat. catena ‘ketting’ (= fra. chaine. ~ lat. cassis ‘jagersnet’).
WBD 49, 170, 104, WVD I afl. II wet. app. 383, Ter Laan 387.

kettel ketting (Limburg). ~ ketting. Afl. bij ket (= keet ↑).
WLD I afl. II 135, 147.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ket’ting (de, -), (ook, als landmeetkundige term) lengtemaat, eertijds 20,714 m, thans 20 m. Er werd echt hard gewerkt en binnen een zes weken zo*, hadden we een groot stuk grond van misschien honderd bij honderd ketting schoon gemaakt en klaar voor beplanting (B. Ooft 1969: 71). - Etym.: Oudste vindpl. plak. van 1684 (S&dS 143). Ontleend aan E chain = id. (66 voet). - Opm.: Officieel buiten gebruik sedert 1874 (Enc.NWI 467), desondanks nog alg.
— : ket’ting geven (gaf, heeft gegeven), 1. opwinden (klok). Max, je moet die horloge* ketting geven, bekte Airis zomaarzo (Cairo 1979b: 20). - 2. eerst ruimte geven aan iets verkeerds om daarna des te harder te kunnen ingrijpen. Zie Cairo 1980c: 492. - Etym.: De uitdr. lijkt ontleend aan het opwinden van een staande klok door een gewicht aan een ketting omhoog te trekken. Bet. 2 lijkt als een fig. toepassing van bet. 1 te zijn ontstaan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ketting: is in Ndl., behalwe in dial., digt. en tegn. taal, ’n gew. vorm en uitspr. v. ouer keten, Hd. kette, uit Lat. catena, terwyl Eng. chain via Fr. chaîne wsk. via Ll. cadena oorgeneem is – by vRieb ketting(h) en by Trig kettang (lRo T DLT 243); v. ook veterbossie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ketting ‘samenstel van schakels’ -> Deens kætting ‘scheepsketting’; Noors kjetting ‘sterke keten, schakel van ijzer of staal’; Zweeds kätting ‘samenstel van schakels om zware lasten te dragen’; Fins kettinki ‘samenstel van (metalen) schakels’ ; Noord-Sotho ketane ‘samenstel van schakels’ ; Tswana kêêtane ‘samenstel van schakels’ ; Zoeloe ketanga ‘samenstel van schakels’ ; Zuid-Sotho ketane ‘samenstel van schakels’ ; Javaans dialect kèteng ‘samenstel van schakels’; Madoerees ketēng ‘horlogeketting’; Japans † ketchin ‘samenstel van schakels’; Negerhollands ketting, ketin ‘samenstel van schakels, boeien’; Berbice-Nederlands kettinggi ‘samenstel van schakels’; Sranantongo keti ‘samenstel van schakels’; Aucaans keti ‘samenstel van schakels’; Saramakkaans keti ‘samenstel van schakels’; Arowaks ketin ‘samenstel van schakels’ ; Sarnami keti ‘keten; halsketting’; Surinaams-Javaans kèti ‘samenstel van schakels’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ketting samenstel van schakels 1401-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1130. Hij is van den ketting,

d.w.z. hij is uitgelaten van vreugde; eig. gezegd van een hond, die losgelaten en van den ketting bevrijd is. In de 18de eeuw bestond de zegswijze uit de ket zijn, o.a. te vinden in de Vermakelyke By-een-komst ofte seltzaam Coffi-praatje, Amsterdam, 1701, bl. 10: Hoe benje zo vrolik juffrou Clara, benje heel uyt de ket? Vgl. het Groningsch oet de ket wezen, vreugdedronken, uitspattend vroolijk, vooral van kinderen; in het Oostfri.: hê is nët as 'n hund, de ût de kette kumd (Molema, 197; 532; Eckart, 223; Dirksen I, 78: ût de kette wesen, ausgelassen sein). In 't fri. hy is fen 't ketting, 't keatling; hy is fen 't sjoar (tuier); syn. ut 'e bân springe; hd. auszer Rand und Band sein. Vgl. no. 151.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal