Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ketsen - (stuiteren; (van vuurwapens) afspringen, weigeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ketsen ww. ‘stuiteren; (van vuurwapens) afspringen, weigeren’
Mnl. me drijft mi ende ketst ‘men drijft mij en jaagt me op’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. eenen bal, die tusschen twee racketten geketst wert ‘een bal die tussen twee rackets heen en weer geslagen wordt’ [1658; WNT raket I], dat die op den pan geketst hadde ‘dat die (een pistool) op de pan (holte met kruit) afgesprongen was’ [1691; WNT], een ... steen, die ... al springende en ketzende ... viel ‘een steen die al springend en stuiterend viel’ [1696; WNT]; nnl. uit vreeze voor ketsen ‘uit vrees voor afwijzen’ [1749; WNT], het ... ketsen van een queue ‘het ... afstuiten van een keu’ [1910; WNT].
Ontleend aan Picardisch cachier ‘jagen, proberen te vangen’ (Nieuwfrans chasser), zie → kaatsen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ketsen [drijven, jagen] {1350} variant van kaatsen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ketsen ww., mnl. ketsen ‘drijven, jagen, zich inspannen om een doel te bereiken’ is van dezelfde herkomst als kaatsen. In beide woorden ontwikkelde zich later de bet. ‘afstuiten’ (vgl. ook ketsen van het geweer).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ketsen ww., mnl. ketsen “drijven, jagen, zich inspannen om een doel te bereiken”. Van denzelfden oorsprong als kaatsen. De nnl. bett. “afstuiten” en “ketsen” (van een geweer) laten zich verklaren uit de bet. “kaatsen” (Kil., nog Antw.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ketsen 1 o.w. (afstuiten), + Ndd. ketschen: onomat. en tevens bijvorm van kaatsen.

ketsen 2 o.w. (voortsleepen), waaruit Eng. to kedge: bijvorm van kaatsen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ketsen, katsen, ww.: rondlopen, straatslijpen, aan de zwier zijn (pej.). Vlaams ketsen ook ‘het paard van een trekschuit mennen, graan vervoeren’. Afl. ketser. Mnl. ketsen, caetsen ‘drijven, jagen’, Vnnl. ketsen, kitsen ‘rondlopen, jagen’, ketsen ‘najagen, voortdurend volgen’, ketsen ende iaghen ‘jagen’ (Kiliaan). Ndd. kitschen ‘lopen, zeilen, schaatsrijden’, Rijnlands abketschen ‘weglopen’. Uit Pic. cachier, cacher, Fr. chasser ‘jagen’ < Lat. captiare. - Bibl.: L. van de Kerckhove, Captiare in de Zuidnederlandse dialecten. Hand. KCTD 20 (1946), 109-146.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ketsen, ww.: rondlopen, aan de zwier zijn (pej.); weerbarstig pruilen. Vlaams ketsen ook ‘het paard van een trekschuit mennen, graan vervoeren’. Afl. ketser. Mnl. ketsen, caetsen ‘drijven, jagen’, Vnnl. ketsen, kitsen ‘rondlopen, jagen’, ketsen ‘najagen, voortdurend volgen’, ketsen ende iaghen ‘jagen’ (Kiliaan). Ndd. kitschen ‘lopen, zeilen, schaatsrijden’, Rijnlands abketschen ‘weglopen’. Uit Pic. cachier, cacher, Fr. chasser ‘jagen’ < Lat. captiare. - Bibl.: L. van de Kerckhove, Captiare in de Zuidnederlandse dialecten. Hand. KCTD 20 (1946), 109-146.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kessen, kissen ww.: vuur slaan; ketsen (van geweer); kaatsen. Door assimilatie ts > ss uit ketsen.

ketsen ww.: een trekschuit trekken. Ook Vl. ketsen ‘rondlopen, op de zwier zijn’. Afl. ketser ‘jager (op het jaagpad)’. Mnl. ketsen, caetsen ‘drijven, jagen’, Vnnl. ketsen, kitsen ‘rondlopen, jagen’, ketsen ‘najagen, voortdurend volgen’, ketsen ende iaghen ‘jagen’ (Kiliaan). Ndd. kitschen ‘lopen, zeilen, schaatsrijden’, Rijnlands abketschen ‘weglopen’. Uit Pic. cachier, cacher, Fr. chasser ‘jagen’ < Lat. captiare. Samenst. ketsepaard, kessepaard, kassepaard ‘paard dat een trekschuit trekt’- Bibl.: L. van de Kerckhove, Captiare in de Zuidnederlandse dialecten. Hand. KCTD 20 (1946), 109-146.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ketsen (E, G, W, ZO, ZV), kasjen (Al), kesjen, ww.: rondlopen, op de zwier zijn, het paard van een trekschuit mennen, graan vervoeren. Ook Wvl. Afl. ketser. Mnl. ketsen, caetsen 'drijven, jagen', Vnnl. ketsen, kitsen 'rondlopen, jagen', ketsen 'najagen, voortdurend volgen', ketsen ende iaghen 'jagen' (Kiliaan). Ndd. kitschen 'lopen, zeilen, schaatsrijden', Rijnlands abketschen 'weglopen'. Uit Pic. cachier, cacher, Fr. chasser 'jagen' < Lat. captiare. - Bibl.: L. van de Kerckhove, Captiare in de Zuidnederlandse dialecten. Hand. KCTD 20 (1946), 109-146.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ketsen rondlopen, schepen met paarden trekken, rondhalen en rondbrengen (gez. van graan), babbelen (Zuid-Nederland). « pic. heterofoon van fra. chasser ‘jagen’ (‹ vulglat. *captiare ‹ lat. captare ‘najagen’, afl. bij lat. capere ‘pakken’.
HCTD XX 128-142, WLD II Afl. II 162, WVD II Afl. V 18, De Bo 452-453.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ketsen (DB, O, WVD: Houtland, ZO), ww.: rondlopen, najagen, achter iemand aanlopen, het paard van een trekschuit mennen, graan vervoeren. Afl. rondketsen ‘rondgaan, rondlopen, het hele gebied aflopen’. Zie ketser.

kitsen (DB), ww.: aanraken, tikken (in het tikkertjesspel). Afgeleide bet. van ketsen ‘najagen’, ook ‘slaan’. Zie ketsen, ketser.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ketsen ‘afwijzen, afspringen’ -> Indonesisch kéts ‘niet-ontplofte granaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ketsen afwijzen, afspringen 1717 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal