Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kerven - (een insnijding maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kerven ww. ‘een insnijding maken’
Mnl. in de samenstelling kerfstoc [1240; Bern.] (zie → kerfstok), kerven ‘doorsnijden’ in si gingen houwen ende kerven ‘ze begonnen te haken en te steken’ [1300-50; MNW-R], si ... corven haren cabel do ‘toen sneden ze hun ankertouw door’ [1328-50; Rijmkroniek], up den stocke ghekervet afgherekent ‘afgerekend d.m.v. inkervingen in de stok’ [1367-72; MNW].
Mnd. kerven, karven (en wrsch. door ontlening nzw. karva); mhd. kerben (nhd. kerben); ofri. kerva (maar nfri. kerv(j)e is ontleend aan het Nederlands); oe. ceorfan (ne. carve); on. kirfla; alle ‘kerven’, < pgm. *kerban-. Nfri. kear ‘brede akker, als deel van een weiland’ is een afleiding van het erfwoord ofri. kerve.
Wrsch. verwant met Grieks gráphein ‘inkerven; schrijven’ (zie o.a.-grafie, → grafologie); < pie. *g(e)rbh- (LIV 187); dan misschien ook met: Oudpruisisch gīrbin ‘aantal’ (< ‘aantal inkervingen’?); Oudkerkslavisch žrěbii ‘lot, ingekerfd staafje’ (Russisch žrébij). Minder wrsch. is verband met Oudiers cerbaim ‘snijden’, in welk geval er sprake zou moeten zijn van ontlening aan een substraattaal na de Germaanse klankverschuiving van *k > *h.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kerven* [insnijdingen maken] {ke(e)rven 1350} middelnederduits kerven, middelhoogduits kerben, oudfries kerva, oudengels ceorfan (engels to carve); verwant met krabben; buiten het germ. grieks graphein [griffen, schrijven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kerven ww., mnl. kerven, mnd. kerven, mhd. kerben, oe. ceorfan (ne. carve). Daarnaast abl. mnd. karven (mogelijk > noorw. zw. karva, nde. karve).

Gewoonlijk verbonden met gr. grápho ‘ritsen, schrijven’, osl. žrebŭ, žrébĭjĭ ‘lot’ (oorspr. ‘ingekerfd staafje’), russ. žérebej ‘lot’, opr. girbin ‘getal’ (eig. ‘kerf’) en dan van idg. wt. *gerebh, gerbh ‘ritsen’ (IEW 392); zie dan ook: kerf en krabben. Naast *gerebh staan de wts. *(s)kerb(h), zie: scherp en *(s)kerp, zie: scherf. — Geheel anders H. Kuhn, Festgabe K. Wagner (1960), 111 die kerven rechtstreeks met oiers cerbaim ‘snijden’ verbindt en aanneemt dat de anlaut k stamt uit een voorgermaans woord, dat door de Germanen na de overgang van k > ch zou zijn overgenomen. Hij verbindt verder met de groep van schurft en vergelijkt nog mhd. schrimpfen, rimpfen en krimpfen. De oudste bet. van deze woordgroep zou zijn geweest ‘samengetrokken, dor, verschrompeld’ (waarvoor zie: scherp).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kerven ww., mnl. kerven. = mhd. kërben (nhd. kerben), mnd. kërven, ofri. kërva, ags. ceorfan (eng. to carve) “kerven, insnijden, afsnijden”, een sterk germ. ww. Met ablaut noorw. dial. karva “kerven”. Verwant met gr. gráphō “ik griffel, schrijf”, obg. žrébĭjĭ “lot” (russ. dial. žérebej ook nog = “afgesneden stuk”; voor de bet. vgl. kavel). Hierbij lett. grebt “schrapen, uithollen, ingriffelen”? Eer bij graven. En opr. girbin “getal”? Ook anders verklaard. Voor een synoniem idg. (s)kerp- zie scherf. Zie kerf. Vgl. krabben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kerven o.w., Mnl. id. + Mhd. kerben (Nhd. id.), Ags. ceorfan (Eng. to carve), Ofri. kerva, On. kyrfa (Zw. karfva, De. karve) + Gr. gráphein = ingriffen, schrijven: Idg. wrt. gerbh.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kerven, van den Germ. wt. kerf = insnijdingen maken, inkrassen; vgl. ’t Gr. graphoo = ik schrijf (eig.: de letters inkrassen, vgl. graveeren).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kerven ‘insnijdingen maken’ -> Fries kerv(j)e ‘insnijdingen maken’; Deens kærve ‘insnijdingen maken’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors karve ‘insnijdingen maken, in kleine stukjes snijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds karva ‘insnijdingen maken’ (uit Nederlands of Nederduits);? Papiaments skèrf ‘insnijdingen maken’; Sranantongo kerfi ‘insnijdingen maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kerven* insnijdingen maken 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2367. Het verkorven hebben,

d.i. het bedorven, het verbruid hebben; niet meer in iemands gunst staan, den bil bij hem verbrand hebben (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XII, 148.); hd. es verkerbt haben; eig. gezegd van hout, dat men verkorven heeft. In de 17de eeuw is de uitdr. reeds zeer gebruikelijk, zooals blijkt uit Winschooten, 104: Van kerven komt verkerven, dat is, eigendlijk quaalijk kerven, met kerven verbrodden: en daarom oneigendlijk misdoen: gelijk men seid, sij hebben het verkurven; Coster, 20, vs. 329; 95, vs. 447; Westerbaen I, 68: Och, het hout is heel verkurven en de pannekoeck in d' as; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1270; Sewel, 859: Verkurven spoiled with carving, done amiss; Halma, 680; C. Wildsch. V, 251; Harreb. III, 74 a. Ook komt in dien tijd en in de 18de eeuw verkerft voor; zie Brederoo I, 269, 38; Huydecoper, Proeve, II, 394 en Tuinman I, 95; 137. Synoniemen zijn het fri. forfykje, door snijden bederven; het 16de eeuw verbakeren (zie Sart. III, 9, 76; Byenc. 82 v); verpieteren, verpeuteren (De Jager, Frequ. II, 451; Pers, 359 a; 618 b; Molema, 448 a; De Vries, 103; Bouman, 111); verhoedelen (Pers, 736 a); verhoetelen (De Jager, Frequ. I, 228); de brij of de pap verzouten (Ndl. Wdb. III, 1356; XII, 347); de soep verzouten (in Jord. 251); verknollen (Tuinman II, 19; (Halma, 681); Com. Vet. 4; Spect. XI, 222; Boekenoogen, 1124); verknoesten (Van Effen, Spect. VII, 5); verpoedelen (Molema, 448 a); verzjeren (Tuerlinckx, 691); verrazen (Tuerlinckx, 684; Rutten, 255 b); in iemands rapen (of boonen) geloopen of gescheten hebben (Antw. Idiot. 1010; 1078); bij iemand in den appel gebeten hebben (Waasch Idiot. 78 a) of er de pap verbrand hebben (506 b); verkrollen (Coster, 20, vs. 328); het hd. die Kappe verschneiden, das Kraut verschütten, bei jem. ins Fettnäpfchen treten; es bei jemand verschütten, versalzen, verkaddeln; enz.; fri. it fordoan, bedoan habbe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut