Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kervel - (plantengeslacht Anthriscus; volksnaam voor div. andere planten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kervel zn. ‘keukenkruid (Athriscus cerefolium)’
Mnl. keruele ‘kervel’ [1226-50; VMNW], dattie meesters heeten cerfolium. entie lieden sceldent kervel ‘wat de geleerden cerfolium noemen en de mensen geven het de naam kervel’ [1351; MNW-P].
Ontleend aan Latijn caerefolium ‘kervel’. De verdere herkomst is onbekend. Het tweede lid is folium ‘blad’, maar dat kan een volksetymologische aanpassing zijn. De oudste Latijnse attestaties luiden chaerepolum, caerefolium en chaerephyllum (bij Columella, 1e eeuw na Chr.), en op grond daarvan wordt algemeen aangenomen dat het een leenwoord uit het Grieks betreft. Grieks *khairéphullon, een niet-geattesteerde vorm, zou dan een samenstelling zijn van de stam van het werkwoord khaírein ‘zich verheugen’ en het zn. phúllon ‘blad’, en de plant zou zo genoemd zijn vanwege de aantrekkelijke geur van de bladeren.
Evenzo ontleend zijn: mnd. kervele; ohd. kervela (nhd. Kerbel); oe. cærfille (ne. chervil).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kervel [plantengeslacht] {1226-1250} < latijn caerefolium < grieks chairephullon, gevormd van chairein [zich verheugen] + phullon [blad]; zo genoemd vanwege de aantrekkelijke geur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kervel znw. m., mnl. kervele, kervel, mnd. kervelde, ohd. kervola, kervila (nhd. kerbel), oe. cierfille, cerfille (ne. chervil). — Zeer vroeg ontleend uit lat. caerefolium (uitspraak k van c!) < gr. chairéphullon zo genoemd wegens de geur der bladeren. Men zal wel secundair verband met kerven gelegd hebben, wegens de diep ingesneden bladeren. — > russ. kérveľ, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A W Amsterdam 66, 2 (1959). 44.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kervel znw., mnl. kervele, kervel (v.?). = ohd. kërvola, (ook os.?) kërvila v. (nhd. kerbel m.), mnd. kërvelde, ags. cierfille, cerfille v. (eng. chervil) “kervel”. Een vroege ontl. uit lat. caerefolium (gr. khairéphullon), wellicht uit een paar verschillende rom. vormen hiervan. Allerlei namen van moeskruiden en tuingroenten (zie kool II, munt II) en andere keukentermen (zie keuken) komen uit ’t Lat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kervel. Owvla. (herb.) kervele.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kervel v., gelijk Hgd. kerbel, Eng. chervil, Fr. cerfeuil, uit Lat. cærefolium. Gr. khairéphullon, zooveel als verblijdend blad (khaírein = verblijden en phúllon = blad). In ʼt Fr. bleef de Lat. klemtoon bewaard; in ʼt Germ. schoof hij op (verg. aalrups).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kelver (zn.) kervel; Vreugmiddelnederlands keruele <1226-1250>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kerwel: pln. (spp. Anthriscus, fam. Umbelliferae); Ndl. kervel (Mnl. kervel(e)), Hd. kerbel, Eng. chervil, uit Ll. cerfolia uit Lat. caerefolium uit Gr. χairephullon (χairein, “geniet”, phullon, “blaar”, n.a.v. geur v. d. blare).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kervel (Latijn caerefolium)

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Anthriscus | Anthríscus sylvéstris: Fluitekruid
De Griekse naam voor het Fluitekruid anthriscon is afgeleid van antherix: halm of holle stengel, vanwege de holle stengel die deze soort en andere soorten van dit geslacht bezitten. Hoewel de wetenschappelijke soortnaam sylvestris duidt op het voorkomen of groeien in het bos, komt men deze algemeen voorkomende en bekende plant het meest tegen langs dijken, vaarten en wegen en in heggen. Het Fluitekruid is van oorsprong een bosplant, maar heeft zich aan andere milieus weten aan te passen. Deze naam heeft de plant te danken aan het gebruik dat de jeugd van de holle stengels maakte: die sneed er fluitjes van. Overeenkomstige namen zijn Fluitelof in de Wormer, Fluitkruid op Walcheren, en Fluiters in West Friesland. Namen met dezelfde strekking zijn: Pieperloof op Zuid-Beveland, Piepers in Zeeuws-Vlaanderen, Pijpkruid op Walcheren, in Zuid-Holland en West-Friesland; Toeters als volksnaam vinden we veelvuldig vermeld, maar ook Toetelof en Toeterloof.
Dat het wel eens als een lastig onkruid kan optreden, kunnen we opmaken uit een keur van het dijkbestuur van de Beemster betreffende het jaarlijks schoonhouden van de dijk, die in de wandeling ‘Toeterschouw’ genoemd werd.
De naam Koekensgroente op Goeree zal wel een verbastering zijn van koegroente, want in het voorjaar wanneer deze plant reeds vroeg blad maakt, kan het uitstekend als veevoeder dienen. In Engeland kent men de plant ondermeer als Cow-weed: Koekruid. De namen Koekervel en Schapekervel duiden er eveneens op dat het als veevoeder gebruikt werd of door deze dieren gegeten wordt. De toevoeging kervel in plaats van kruid is ontstaan omdat de bladeren op deze groente gelijken. Trouwens dit is niet zo verwonderlijk, want Kervel behoort tot hetzelfde geslacht Anthriscus. De naam Wilde kervel vinden we in meerdere streken van ons land als volksnaam genoteerd.
Er zijn nog meer volksnamen die eveneens duiden op de gelijkenis der bladeren met die van andere planten zoals Wilde Scheerlink of Scheerlink in de Overijselse Achterhoek; verder vinden we nog vermeld, echter zonder plaatsaanduiding, Wilde selderie en Wild Wortelloof. Om nog even op de naam Kervel terug te komen, kunnen we nog vermelden dat in een plantenglossarium uit de elfde eeuw de plant is opgenomen onder de naam Wilde kervuela; ook toen reeds was de gelijkenis met de kervel opgevallen. In Groningen kent men de plant als Hondestanken, Hondjeskruid en Hondkruid, terwijl in Friesland het Fluitekruid bekend staat als Hounestand, een en ander omdat hij op honden een grote aantrekkingskracht schijnt uit te oefenen. De naam Nachtigaalskruid laat zich goed verklaren uit het feit dat de plant ook voorkomt onder hagen en struikgewas, waar ook deze vogel gaarne broedt en zich ophoudt.
De naam Zere-ogenbloem in Waterland en in West Friesland aan het kruid gegeven, behoeft enige nadere toelichting. De naam duidt niet op het kunnen genezen van oogziekten door het Fluitekruid, maar juist op het tegenovergestelde, het veroorzaken ervan. In C. Bakker, Volksgeneeskunde van Waterland (1928), vinden we het volgende: ‘Die plant geneest evenwel geen zeere oogen, maar zou die teweegbrengen. Mij werd een meisje met hoornvliesontsteking gewezen, dat die ziekte zou hebben gekregen door aan de bloem te ruiken. Een feit is dat, tengevolge van het in aanraking komen met het stuifmeel van sommige planten enkele menschen ontsteking van de slijmvliezen van de oogleden, den neus, de keel enz. kunnen krijgen.’ Het valt wel op dat deze plant geen grote rol heeft gespeeld in de volksgeneeskunst. Alleen vinden we vermeld dat een aftreksel der zaden vroeger werd gebruikt bij chronisch eczeem en klierziekten.

Coníum | Coníum maculátum: Gevlekte scheerling
De Latijnse naam van dit geslacht, waarvan slechts één soort in ons land voorkomt, verklaart men als voortkomend uit het Griekse woord kone: doden, vanwege de dodelijke giftige werking van de plant. Deze soort heette bij Dioscorides Cicuta, waarmede we thans de verwante, eveneens zeer giftige, Waterscheerling (Cicúta virósa) aanduiden. Dat dit later tot verwarring en verwisseling aanleiding zou geven laat zich denken. Deze allerminst algemeen voorkomende plant ontleent haar naam Scheerling aan de zeer oude benaming Scerninc; in het Oudsaksisch Skerning, dat is afgeleid van het Middelnederlandse scam of scerninc dat drek of mest beduidt, vanwege de onaangename geur, vooral van de bladeren. De Duitse volksnaam Stinkkraut wijst hier nadrukkelijk op.
De toevoeging ‘gevlekte’ kreeg zij omdat de stengel in de regel roodachtig gevlekt is. De naam Dolle Kervel op vele plaatsen in ons land, Dolle peterselie en Wilde peterselie duiden op de gelijkenis der bladeren, althans voor een leek, met die van kervel en peterselie. Deze drie geslachten zijn trouwens aan elkaar verwant. De naam ‘dolle’ als toevoeging, ter onderscheiding van de eetbare kervel en peterselie, wijst erop dat de bevolking wel degelijk met de giftige werking bekend was.
Van de holle stengels maakte men fluitjes, hetgeen aanleiding gaf tot namen als Herderspijpen - in 1514 reeds Herderspipen - en Pijpkruid in Friesland. Dit maken van fluitjes, ook blaasroeren, heeft vaak noodlottige gevolgen gehad, vooral omdat kinderen in hun onwetendheid de plant niet wisten te onderscheiden van het Fluitekruid (Anthríscus silvéstris). De herdersfluit van Pan was, zo beweert men, gemaakt van de stengel van de Gevlekte scheerling.
Dat een dergelijke giftige plant door heksen gebruikt werd, is bijna vanzelfsprekend. Zij maakten ter bereiding van hun heksenzalf gebruik van deze plant, om er hun toverkunsten mee uit te halen. Ook de duivel speelde zijn rol, zoals hieronder uit een sage blijkt: Tegenover de vele gewassen die door de Schepper voor mens of dier als voedsel bestemd werden, plaatste de duivel, zoveel als mogelijk was, schadelijke of giftige. Zo plaatste hij tegenover de eetbare Peen (Daúcus caróta) de giftige Gevlekte scheerling. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de peen wat het uiterlijk betreft zeer veel weg heeft van de nu door ons behandelde plant. Beide soorten behoren tot dezelfde familie en wel die der schermbloemigen.
In de volksgeneeskunde speelt zij, gezien de giftigheid, geen al te grote rol. De meeste bekendheid kreeg deze schermbloemige doordat zij een grote rol speelde in het uiteindelijk tragische lot van Sokrates. Namelijk het ledigen van de gifbeker, gevuld met het aftreksel van de zaden van deze Scheerling. Een straf die indertijd in Athene zeer gebruikelijk was, vooral bij politieke misdrijven. Sokrates werd in 399 voor Chr. aangeklaagd omdat hij niet geloofde in de goden die voor de staatsstad Athene golden, maar andere nieuwe goden invoerde. Ook werd hij ervan beschuldigd een slechte invloed te hebben op de jeugd. Vóór Sokrates moest reeds zijn leerling Theramenes hetzelfde lot ondergaan. Een andere politieke misdadiger uit die tijd was Phokion. Het ledigen van de gifbeker heette in die tijd: ‘to kóneion pínein’. De geschiedschrijver Aelianus weet ons nog het volgende te vertellen: op het eiland Kos diende de plant als middel om zelfmoord te plegen. Ook lijders aan kwalijke ziekten en bejaarden, die de staat niet tot last wilden zijn, maakten er gebruik van om zich op deze manier het leven te benemen. Later gebruikte Alexander Borgia het sap om zich van zijn tegenstanders te bevrijden. Een der giftigste stoffen is wel het onaangenaam riekende coniïne, dat in de sterkste concentratie in de rijpe zaden voorkomt.
Aan de lijders van vallende ziekte werd de volgende raad gegeven: graaf de wortel van de plant uit in de nacht van 24 juni (Sint Jan), en wel tussen 11 en 12 uur, en hang vervolgens de wortelknol met een draad om de hals, en de genezing zal dan niet uitblijven.

Cicúta | Cicúta virósa: Waterscheerling
Omtrent de afleiding van Cicuta doen we het best de verklaring van dr. C. A. J. A. Oudemans te geven: ‘De naam hangt samen met kuoo, waarin het begrip “hol zijn” ligt opgesloten. Niet alleen toch de stengel en zijn takken, maar zelfs de knolvormige wortelstok of stengelvoet bestaat uit eene reeks van luchthoudende kamertjes. Men vindt in Latijnse woordenboeken voor Cicuta behalve andere woorden ook “Rietpijp” opgetekend, met vermelding dat zulke pijpen ook uit den stengel der Waterscheerling gesneden wordt.’
De Oudromeinse naam Cicuta slaat niet op onze plant, maar op de Gevlekte scheerling (Cónium maculátum). De soortnaam virosa duidt op de zeer giftige eigenschap van de plant, en is afkomstig van het Latijnse virus: gif. Voor de verklaring van de naam scheerling verwijzen we naar hetgeen hieromtrent wordt medegedeeld van de Gevlekte scheerling. Deze twee planten, behorende tot de familie der Schermbloemigen worden door de bevolking slecht van elkaar onderscheiden; daar zal de in een scherm geplaatste bloeiwijze en witte bloemkroon toe bijgedragen hebben. Zo is het ook gesteld met namen als Dolle kervel (op vele plaatsen in ons land), Dolle waterkervel en Wilde kervel. Men wist wel degelijk het verschil, want men voegde er Dolle en Wilde aan toe. Het dolle duidt uitdrukkelijk op de giftige eigenschap. Deze eigenschap vindt men eveneens terug in Dolwortel, zoals hij in Noord-Overijsel en Friesland genoemd wordt. De gelijkenis met soorten van het geslacht Watereppe (Sium) deed bij de niet-botanicus namen ontstaan als Kleine Watereppe en Tweede watereppe. Hetgeen de verwarring nog meer in de hand werkte. Deze namen komen waarschijnlijk niet meer voor. Gelukkig maar, want er bestaat een ‘officiële’ Kleine watereppe (Sium erectum).
De oorsprong van de voor Friesland genoteerde naam Stinkwortel, zal wel te zoeken zijn bij Tabernaemontanus (1583) die hem Cicúta foétida: Stinkende wortel, noemde. Deze soortnaam werd door Linnaeus, toen hij zijn systeem opzette, niet overgenomen, maar vervangen door virosa, de tegenwoordige wetenschappelijke soortnaam.
De naam Pompen in het Land van Hulst heeft waarschijnlijk te maken met de dikke pijpachtige holle stengels, die op pompbuizen gelijken. De namen Pompom, Pompon, Pompkebloumen en Pompwortel in Groningen slaan volgens ons op het Groningse pomp, dat beduidt plas, put, moeras; zoals bekend groeit onze plant in laagveenmoerassen en langs waterkanten.
Met betrekking tot de naam Zwaarweerplant, die Uittien te Giethoorn optekende: het heeft, volgens hem, geen resultaat opgeleverd toen hij ter plaatse inlichtingen inwon of deze plant iets te maken had met onweer of donder. Nu geeft Heukels een volksnaam op van Zwaarweerbloem voor Noord-Overijsel, waartoe ook Giethoorn behoort, maar dan voor de Zwanebloem (Bútomus umbellátus).
Als noot geeft hij op: ‘Zwaait men er driemaal mede over het hoofd dan komt er onweer.’ Nu is het opvallende dat beide soorten langs het water groeien en beide volksnamen hebben, die verbonden zijn met zwaar weer. Nader onderzoek is dus wel gewenst.
De naam Slobben in het Sallandse, zal volgens ons te maken hebben met de groeiplaats, laagveenmoerassen en drijftillen, want een Oudnederlandse naam voor slijk en modder is Slobbe. Vanwege de giftigheid werd de plant door de bevolking gemeden. Bij P. Nijlandt vinden we slechts één recept: ‘Uitwendich wordt het sap, met gom ammoniacum tot een Plaester gekoockt, op een gezwolle ende ontsteken Milt geleyt.’ Men beweerde ook dat het sap een der bestanddelen van de heksenzalf was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kervel ‘plantengeslacht’ -> Deens kørvel ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Engels); Noors kjørvel ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds körvel ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kirveli ‘schermbloemige plant, als keukenkruid gebruikt’ ; Russisch kérvel' ‘plantengeslacht’; Azeri kervel ‘plantengeslacht’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kervel plantengeslacht 1226-1250 [CG II1 Pl.gloss.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut