Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kersvers - (geheel vers)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kersvers* [geheel vers] {kars en vars 1616, kersvers 1665} het eerste lid is middelnederduits, middelhoogduits karsch [opgewekt, fris], oudnoors karskr [flink]; buiten het germ. latijn expergisci [ontwaken], grieks egeirein [wekken], avestisch -gar- [idem], oudindisch jāgarti [hij waakt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kersvers bnw., eerst ouder-nnl. en ontstaan uit karsvers, omdat men er het woord kers in voelde. In het oudere nnl. heet het nog kars inne varsch, wat er op wijst, dat kars een afzonderlijk woord is, vgl. mnd. mhd. karsch ‘fris, opgewekt’, on. karskr ‘flink, dapper’. — Mogelijk bij gr. egeírō, ‘wekken’, oi. jagarti ‘ontwaakt, is opgewekt’, lat. expergiscor ‘ontwaak’, alb. ngrẽ ‘sta op’(IEW 390, maar zie ook AEW 302).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kersversch bnw., nog niet bij Kil. Voor ons taalgevoel = kers I of kers II + vers; aan deze volksetymologische opvatting is ook de e van kers- toe te schrijven. Oudnnl. (Hooft, Bredero) kars inne (= en) varsch wijst er echter op, dat het eerste lid een bnw. is = mhd. mnd. karsch “frisch, opgewekt”, on. karskr, kerskr “opgewekt, levendig”, dat met lat. expergiscor (*ex-per-grîscor) “ik ontwaak”, gr. egeírō “ik wek”, alb. ngrê “ik hef op, stel, wek op”, oi. jâgárti “hij waakt, is wakker” verwant is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kersversch bijv., het eerste lid = flink, krachtig, en is hetz. als kras 2 (z.d.w.). Hooft schreef kars inne vers.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kersvers: “fris, splinternuut”; Ndl. kersvers(ch), ouer Ndl. karsvarsch/-versch, eint. saamgetrek uit kars(ch) ende vars(ch)/kers(ch) ende vers(ch), “fris en vars, fris en gesond”, hou verb. m. Mned. en Mhd. karsch, “fris, opgewek”, en On. karskr, “dapper, flink”; v. ook vers III.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kersversch = kars en versch; ’t eerste lid bet. vroolijk, krachtig, frisch en heeft dus met kers (vrucht) niets te maken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kersvers* geheel vers 1665 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal