Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kerst - (feest van Christus' geboorte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kerst zn. ‘feest ter herinnering aan Christus' geboorte’
Mnl. alleen in samenstellingen: kerst(s) dach (met genitief-s), kerstdach in het neware dat dan kersts dach geujele ‘als het dan geen (eerste) kerstdag zou zijn’ [1236; VMNW], binnen den .iiij. kerstdaghen ‘binnen drie dagen na de (eerste) kerstdag’ [1287; VMNW], ook wel met eerste lid kers-, karst-, kars-, zoals in van karsdaghe ‘vanaf de (eerste) kerstdag’ [1254; VMNW], Kerstnacht [1300-25; MNW-R], Kersmisse ‘kerstmis’ [1432; MNW-R]; nnl. kerst ‘Kerstmis’, op den tweeden dagh van Kers [1719; iWNT], een witte kerst [1950; Van Dale].
Het woord komt oorspr. alleen voor in samenstellingen, zoals kerstdag, kerstnacht en kerstmis. Hierin is het eerste lid de eigennaam Kerst, de in het Middelnederlands ontstane naam voor ‘Christus’: mnl. ihesus kerst ‘Jezus Christus’ [1265-70; VMNW]. Pas in de 20e eeuw werd een nieuw simplex kerst gebruikelijk als verkorting van Kerstmis.
In het Oudnederlands en een deel van de omliggende Neder- en Hoogduitse middeleeuwse dialecten versprong de -r- dikwijls in de combinatie -r- + korte klinker + dentaal (binnen één lettergreep). Woorden waarin deze klankovergang herkenbaar is, zijn bijv.borst 1 (Duits Brust), → dertien (naast drie), → korst (uit Latijn crusta), → pers 1 (Latijn pressa), → vorst 2 (Duits Frost; vr- in vriezen).
Lit.: Schönfeld, par. 58

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kerst [feest van Jezus' geboorte] {1719} verkort uit Kerstmis.

Kerstmis [feest van Jezus' geboorte] {Kersmisse 1274} middelnederduits Kerstesmisse, oudengels Cristes mæsse; samengesteld van Kerst [Christus], met metathesis van r < latijn Christus + mis1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kerstmis

Het feest van Christus’ geboorte werd en wordt in de R.K. kerk ingeleid met een mis. Het tweede deel van het woord Kerstmis is daarmee heel eenvoudig verklaard. In de Middeleeuwen bestond naast de naam Christus ook de naam Kerst. In allerlei liederen uit die tijd wordt gesproken over Jhesu Kerst van Nazarene. Dit woord is geheel in onbruik geraakt; behalve in samenstellingen als Kerstzang, Kerstkind, Kerstfeest kennen wij het alleen nog in het werkwoord kerstenen: tot Christen maken en zijn tegenstelling ontkerstenen: van zijn Christelijk karakter beroven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

Kerstmis znw. v., mnl. kersmisse, mnd. kerstesmisse, ne. Christmas is een woord, dat gevormd werd in de Rijn-frankische kerktaal en vandaar ook naar Engeland kwam (Frings, Germ. Rom. 1932, 34-35). Zie: Christen.

De vorm kerst is een normale metathese uit lat. Christus, uitgesproken kristus, vgl. mnl. Kerst, Karst, Korst = Christus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kerst, kerstmis (mnl. kersmisse v. naast gewoner kersdach m., mnd. kerstesmisse v., eng. Christmas; voor ’t tweede lid zie mis I), e.dgl. is de klankwettige ontwikkeling van het ontleende gr.-lat. Christus (gesproken met k) met afwerping van den lat. uitgang. Er is geen reden, om ’t wgerm. woord voor een ontl. via het Got. te houden. Er komen evenals bij dertig e.dgl. dialectvormen met ar en or voor. Zie Christen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kerst, kerstmis. De naam van het oude germ. feest, waarvoor Kerstmis in de plaats is gekomen, is bij biecht en biecht Suppl. besproken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Kerstdag m., het eerste lid is de gewone Mnl. vorm van Christus: de H. Kerst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Krismis s.nw. (geselstaal)
Kersfees.
Verafrikaanste vorm van Eng. Christmas (1123). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kerst (Latijn Christus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Kerst, kerstfeest, kerstmis, christelijke feestdag op 25 december, waarop de geboorte van Jezus wordt gevierd. Ook ter aanduiding van eerste en tweede kerstdag.

Kerst is een vernederlandste vorm van Christus (zie ook dat artikel), een van de benamingen van Jezus, waarvan de Latijnse uitgang weggelaten werd en waarin klinker en r van plaats wisselden. Deze naam Christus was bij de geboorte van Jezus, waar wij kerst mee verbinden, nog niet aan de orde; hij werd pas later in zijn leven toegekend. Kerst was in de Middeleeuwen de gewone vorm voor Christus. De feestdag van Jezus' geboorte werd kerstmis, Christusmis dus, genoemd; later is bij de de reformatorische kerken kerstfeest in gebruik geraakt. Als wij het over kerst, de kerstdagen, hebben, is dat een verkorting uit kerstmis of kerstfeest. Met dit element zijn weer talloze afleidingen en samenstellingen gevormd, die verwijzen naar het bijbelverhaal (kerstkindje, kerstboodschap), maar vooral naar de festiviteiten rondom het kerstfeest (kerstboom, kerstvakantie).

Rijmbijbel (1271), v. 23905-8. Doe vraechde ihesus hare menen. / Wie si seiden dat hi ware. / Pieter die sprac openbare. / Du best kerst des leuens gods sone. (Toen vroeg Jezus hun mening, wie zij zeiden dat hij was. Petrus zei duidelijk: U bent Christus, de zoon van de levende God.)
Om zes uur moeten de jongens weer naar cel. 'Er zijn minder bewaarders, Kerst valt in een weekeinde.' (NRC, 24-12-1999, p. 3)
Natuurlijk zijn er nog wel mensen die boerenkool en erwtensoep eten met Kerstmis. (Een witte kerst. Kerstverhalen, 1994, p. 90)
Dit weekeinde viert Nederland het Kerstfeest. Anders dan anders zullen de kerken volstromen. (Trouw, 24-12-1999, p. 25)

Kerstster, ster ter decoratie in de kersttijd; kamerplant met rozetten van rode, roze of witte schutbladeren, die rond de kerst populair is (Euphorbia pulcherrima).

Deze van oorsprong tropische plant doet met de felgekleurde rozetten aan sterren denken. De ster is een van de belangrijkste symbolen van het kerstfeest, omdat het kerstevangelie vertelt van de ster die boven de geboorteplaats van Jezus aan de hemel stond en de wijzen uit het oosten de weg wees: 'Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen' (Mattëus 2:2, NBV).

Rijmbijbel (1271), v. 21406-9. Die coninghe ghinghen vter stede. / Ende die sterre ghinc vor hem mede. / Tote dat soe ghinc staen vp thuvs bouen. / Dar dat kint was dat wi louen. (De koningen gingen de stad uit, en de ster ging voor hen uit, totdat ze stil bleef staan boven het huis waar het kind was, dat wij loven.)
In Schagerbrug, in Noord-Holland, zaten de kinderen vandaag druk te vouwen. Want ze moeten razendsnel zorgen voor 600 papieren kerststerren [voor een inzamelingactie]. (Jeugdjournaal, dec. 1992)
Kortedagplanten leggen alleen in het donkere jaargetijde met minder dan 12 uur licht per dag bloemknoppen aan. Als overtuigend voorbeeld kan hier de Euphorbia pulcherrima, de kerstster, genoemd worden. (R. Herwig en M. Schubert, Het grote kamerplantenboek. Wageningen:Zomer en Keuning, 1974, p. 54)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kerstmis = Christus-mis; Kerst was in de middeleeuwen Christus; vgl. ook ’t Mnl.: „Menech Kersten bleef er doot.” Vandaar: kerstenen = tot het Christendom bekeeren.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

Kerst de kerstdagen 1719 [WNT]

Kerstmis feest van Jezus' geboorte 1274 [CG I1, 273]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut