Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kers - (kruisbloemige plant, waterkers e.d.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waterkers zn. ‘kruisbloemig plantje van het geslacht Nasturtium
Vnnl. Waterkersse oft bruinkersse ‘waterkers’ [1514; iWNT].
Samenstelling van een verduidelijkend eerste lid → water en kers ‘benaming voor bepaalde planten uit de kruisbloemenfamilie met eetbare blaadjes met een scherpe smaak’. Een andere bekende samenstelling is tuinkers (Lepidium sativum), ook wel sterrenkers genoemd. Kers, dat al eerder voorkomt als kerse [1240; VMNW], in de samenstelling kerssesaet [1351; MNW-P] en als keirse in een glossarium [ca. 1330; MNW], en nog eerder in toponiemen [12e eeuw; ONW], is door metathese en i-umlaut ontstaan uit Proto-Germaans *krasjō-.
Mnd. kerse, karse; ohd. kresso, krasso (nhd. Kresse); nfri. kers; oe. cressa, cresse (ne. cress), cærse; alle benamingen voor dezelfde (in West-Europa inheemse) planten als in het Nederlands, < pgm. *krasjō-.
Herkomst onduidelijk. Misschien verwant met: Grieks grãn ‘knagen, eten’; Sanskrit grásate ‘verslindt’; < pie. *gres- ‘vreten, verslinden’ (LIV 192). Hierbij hoort misschien ook on. krás ‘lekkernij’ (nno. krås) < pgm. *krēsō-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kers1* [kruisbloemige plant, waterkers e.d.] {kers(s)e 1201-1250} met metathesis van r, vgl. oudhoogduits kresso (hoogduits Kresse), oudengels cresse, cærse (engels cress). Vgl. buiten het germ. (dubieus): latijn gramen [veevoer, gras], grieks graō [ik knabbel] (in welke vormen de s is verdwenen) en oudindisch grasati [hij verslindt]; de Oost-Indische kers is zo genoemd omdat de smaak lijkt op die van waterkers en tuinkers.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kers 2 znw. v. ‘kruisbloemig plantengeslacht’, vgl. ook waterkers, Oostindische kers, dial. ook kars(ə), kors(ə), mnl. kersse, korsse is door metathesis ontstaan uit *kresse, vgl. ohd. chresso m., chressa v. (nhd. kresse), maar mnd. kerse, karse, oe. cærse, cerse v., cressa m. (ne. cress). Germ. grondvorm *krasjō. — Men vergelijkt on. krās ‘lekkernij’ en verder mogelijk oi. grasati ‘verslindt, eet’, gr. gráō ‘knaag, knabbel’, lat. gramen ‘gras’, oiers greim (< *gresmen) ‘beet, hap’ (A. Walde IF 19, 1906, 101; vgl. echter ook AEW 329).

Het westgerm. woord drong in het ngerm. vgl. nde. karse, nzw. krasse en verder lett. kresse, maar ook in het romaans, vgl. mlat. cresso, crissonus, fra. cresson, ital. crescione. — De plant, die rauw gegeten kan worden, zal om zijn rijkdom aan vitamine reeds vroeg een geliefd bijvoedsel geweest zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kers II (plant), dial. ook kars(ǝ), kors(ǝ), mnl. kersse, korsse. Met metathesis van e en r (vgl. barsten). = ohd. chresso m., chressa v. (nhd. kresse v.), mnd. kerse, karse v., ags. cærse, cerse v., cressa m. (eng. cress). Oorsprong onbekend. De combinatie met on. krâs v. “voedsel, lekker hapje”, ier. greim “hapje”, lat. grâmen “gras”, gr. gráō “ik knaag”, oi. grásati “hij vreet, verslindt” is maar een los vermoeden, evenzoo die met ohd. chrësan “kruipen”. Uit het Germ. mlat. cresso, fr. cresson, it. crescione “kers”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kers 2 v. (plant), Mnl. kerse + Ohd. kresso (Mhd. en Nhd. kresse), Ags. cresse (Eng. cress) + Lat. gramen (*gras-men) = gras. Hieruit in 't Skand. (Zw. krasse, De. karse) en 't Rom. (Fr. cresson).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

-kers (de; als tweede lid van een samengesteld zn.), naam voor enige houtige planten en hun vruchten, welke laatste op een AN kers lijken (babykers*, boskers*, savannekers*) of niet (laurierkers*). - Etym.: AN kers = o.m. in Ned. wilde en gekweekte Prunus-soorten (Roosfamilie*) en hun ronde, rode of paarse vruchten.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kers II: gew. dim. kersie, vrug- en pln. (spp. Prunus), wilde soorte o.a. spp. Euclea, fam. Ebenaceae; spp. Gardenia, fam. Rubiaceae; spp. Pterocelastrus, fam. Celastraceae; spp. Sarcocaulon, fam. Geraniaceae; Ndl. kers/keers(e) (Mnl. ke(e)rse/carse), Hd. kirsche, Eng. cherry (Oeng. ciris-), vroeë ontln. uit Ll. ceresia, wat verb. hou m. Lat. cerasea, Gr. kerasion, “pitvrug”, en kerasea, “kersieboom” – hieruit ook Fr. cerise en vorme v. Rom. tale – vRieb het o.a. kersse/kersen/carssen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kers (Latijn ceresia)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kers ‘kruisbloemige plant, waterkers e.d.’ -> Zweeds krasse ‘kruisbloemige plant’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kirsikka ‘kruisbloemige plant, waterkers e.d.’ ; Ests kirss ‘kruisbloemige plant, waterkers e.d.’ (uit Nederlands of Duits); Frans cresson ‘plant’ Frankisch; Baskisch krexu ‘waterkers’ ; Sranantongo kersi ‘plant’; Sarnami kersi ‘kruisbloemige plant, waterkers e.d.’; Surinaams-Javaans kèrsi ‘plant’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kers* kruisbloemige plant, waterkers e.d. 1170 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut