Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kerk - (gebouw voor de christelijke eredienst; christelijk instituut)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kerk zn. ‘gebouw voor de christelijke eredienst; christelijk instituut’
Onl. kirika, kerk ‘kerkgebouw’ in Vpkirika (kerk in Dorestad), letterlijk ‘stroomopwaarts gelegen kerk’ [777, kopie eind 11e eeuw; Künzel] en kerchere ‘kerkheer, geestelijke’ [12e eeuw; ONW]; mnl. kirke ‘de kerk als instituut’ in der heileger kirken dochte ‘had ontzag voor de heilige kerk’ [1200; CG II], kerke ‘kerkgebouw’ [1200; CG II], keerke ‘plaatselijke parochie’ in vercochten der keerken ‘verkochten aan de kerk’ [1268; CG I], kerk ‘kerk als instituut’ in de helighe kerk ghebiet [1400-20; MNW-R].
Ontleend aan vulgair Grieks kūrikón ‘huis van de Heer’ < Grieks kūriakón onzijdige vorm van het bn. kūriakós ‘van de heer’, afgeleid van kūrios ‘heer’.
Evenzo ontleend zijn: os. kirika, kerika; ohd. kirihha (nhd. Kirche); ofri. tzerke, tzirke (nfri. tsjerke); oe. cirice (ne. church); on. kyrkja (nzw. kyrka).
Grieks kūrios ‘heer, meester’ is verwant met Sanskrit śūra- ‘held’; < pie. *ḱeuh2 ‘zwellen, sterk worden’ (IEW 592).
kerkhof zn. ‘begraafplaats’. Onl. als toponiem Khercheoua ‘Kerkhove (West-Vlaanderen)’ [1119, kopie ca. 1250; Gysseling 1960]; mnl. kerechoue ‘begraafplaats’ [1236; CG I], kerchof ‘ruimte voor of om de kerk, begraafplaats’ [1240; Bern.]; nnl. kerkhof ‘begraafplaats’ in een kerkhof: daer wy veele graven van Arabieren en Turken zagen [1714; WNT]. Samenstelling van kerk en → hof in de betekenis ‘omsloten ruimte, tuin’. Een kerkhof was oorspr. een omheinde ruimte bij of rond een kerk die onder meer werd gebruikt voor rechtshandelingen, als marktplaats en als begraafplaats. Later noemt men ook een begraafplaats die niet bij een kerk ligt kerkhof.
Lit.: A. Pompen (1929), ‘De oorsprong van het woord kerk’, in: Donum natalicum Schrijnen: verzameling van opstellen ... opgedragen aan Mgr. Prof. dr. Jos. Schrijnen ..., Nijmegen, 517-532

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kerk [bedehuis] {in de vroegere Utrechtse kerknaam Vpkirika <777>, ke(e)rke, kirke, kerc 1200} oudsaksisch kirika, oudhoogduits chirihha, oudfries kerke, oudengels cirice < byzantijns-grieks kuriakon [het huis des Heren, kerk], het zelfstandig gebruikt o. van kuriakos [van de Heer], van kurios [heer] (vgl. kyrie-eleïson).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kerk znw. v., mnl. kerke, os. kirika, ohd. chirihha (nhd. kirche), ofri. kerke, tziurke, oe. cirice, cyrice (ne. church); hieruit ook on. kirkja, kyrkja. — Het woord is een zeer vroege ontlening, die van het keizerlijke Trier uit naar de Franken en de Angelsaksen met de bekering verbreid werd. De grondvorm is gr. kurikón, dat in de 4de eeuw een modewoord was en in de plaats van kuriakón getreden was.

Het Oostgerm. had dit woord niet, daar Wulfila aikklesjō < lat. ecclesia gebruikt. Men heeft osl. cruky als bewijs voor een oostgerm. *kirikō, kirkō willen beschouwen, maar dit kan evenzeer uit het Westen zijn overgenomen (Braune PBB 43, 1919, 424 vlgg). — Het gr. woord betekent ‘huis des Heren’, afl. van kúrios ‘Heer’, oorspr. o., in Romeinse omgeving onder invloed van domus v. geworden. — De Romeinen gebruikten zelf ecclesia < gr. ekklēsia ‘gemeente’ welk woord in de romaanse en keltische talen opgenomen werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kerk znw., mnl. kerke v. Met e uit i vóór r; vgl. herder. = ohd. chirihha v. (nhd. kirche), os. kirika, ofri. kerke, tziū̆rke, ags. cirice, cyrice (eng. church), on. kirkja v. “kerk”. Vroege ontl. — met verandering van formans en geslacht — uit gr. kuriakón, in de 4. eeuw gebruikelijk met de bet. “huis des Heeren”, een afl. van kúrios “heer”. [Het v. kuriakḗ heeft deze bet. eerst in de 11. eeuw, vroeger is het = “dag des Heeren, Zondag”.] Het is opvallend, dat juist dit overigens in West-Europa weinig bekende woord en niet het in de rom. en kelt. talen overgegane lat. ecclêsia (< gr. ekklēsía) “gemeente”, dan ook “kerkgebouw” in ’t W.-en Ngerm. ontleend is. Ook uit ’t Got. kennen we alleen aíkklesjo v. “coetus christianorum”. Echter zal obg. crŭky (oerslav. *kĭrky, ook *kĭrĭky) wel op een oudoostgerm. nomin. *kir(i) teruggaan, welk woord in Ulfila’s tijd misschien alleen nog “kerkgebouw” beteekende. Wellicht is het wgerm. woord uit het Oostgerm. ontleend. De vorm verklaart zich het eenvoudigst als we van den vulgairgr. vorm kurikón uitgaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kerk. Dat het wgm. woord uit het Oostgerm. zou ontleend zijn, is niet wsch. Ook obg. crĭky kan wel berusten op een, eerst bij de Westslaven, aan het Wgm. ontleende vorm; dit geldt vooral voor de bijvorm cir(ŭ)ky. Braune PBB. 43, 424 vlgg.; Pompen Donum Schrijnen 516 vlgg. De mogelijkheid, dat de Angelsaksen het woord uit ’t Got. via de Westfranken zouden gekregen hebben (Wessén Ark. 44, 93; zie heiden Suppl.) kan hier buiten beschouwing blijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kerk v., Mnl. kerke, Os. kirika, gelijk Ohd. kirihha (Mhd. en Nhd. kirche), Ags. cyrice (Eng. church), Ofri. kerke, On. kirkja (Zw. kyrka, De. kirke), uit Gr. kuriakón = huis des Heeren, zelfst. gebr. onz. bijv. van kúrios = heer. Het Gr. w. ging ook in ’t Slav. over: Ru. cerkov. Het Go. ontleende zijn woord voor kerk (aikklesjo), gelijk de Rom. talen (Fr. église), aan Gr.-Lat. ekklēsía.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kèrk (zn.) kerk; Aajdnederlands kirika <777> < Grieks kurikon.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kerk: kerk houden (hield, heeft gehouden), een huisdienst houden. - Etym.: S ori kerki (ori = houden; kerki = kerk). - Opm.: Het wordt ook gezegd door Hindoes e.a. niet-Christenen. – Zie ook: morgen-*, ochtend-* en avondzegen*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kerk 'eigenkerk, bedehuis'
Onl. kirika, kirke, ker(i)ka, kerke 'eigenkerk, bedehuis', mnl. kerke, ofri. tzerke, tzirke, os. kirika, kerika, ohd. kirihha, oe. cirice, ono. kyrkja. De grondvorm is vulgair Grieks kûrikón 'huis van de Heer' (4e eeuw). Het betreft een zeer vroege ontlening die met de bekering vanuit het Romeinse keizerrijk naar de Franken en de Angelsaksen werd verbreid.
Plaatsnamen met kerk(e) samengesteld met een heiligennaam of persoonsnaam (ook het type Ouwerkerk, Nieuwerkerk) vindt men vooral in ontginningsgebieden vanaf de 11e eeuw. Reeds bestaande plaatsen waar een kerk werd gesticht, behielden hun oorspronkelijke naam. De meeste kerk-namen komen voor in Zeeland en Zuid-Holland. De vorm op kerke, met bewaarde slotvocaal, is typisch Zeeuws. Oudste attestaties in plaatsnamen: 777 kopie 11e eeuw Vpkirica 'de stroomopwaarts gelegen kerk' (bij Wijk bij Duurstede)1, 1e helft 11e eeuw Agathenkiricha, Agathenkyricha (→ Sint_Aagtendorp, oude naam van Beverwijk)2, idem Heimethenkiricha, Heimezenkyrke (→ Heemskerk)3.
De stichter van een kerk was een zogenaamde eigenkerkheer die de kerk kon beschouwen als erfelijk privé-eigendom (vergelijk → Meliskerke) waarvan hij de inkomsten genoot en de pastoors mocht aanstellen (ius proprietarium). Hij was gerechtigd de eigenkerk te verkopen, te ruilen of weg te schenken. Eigenkerken werden op de Lateraanse Synode (826) door paus Eugenius II als wettig erkend.
De eigenkerken behoorden meestal toe aan koning, graaf, bisschop of klooster. Zij floreerden vanaf de Karolingische tijd tot in de 13e eeuw, mede door de invoer van de kerkelijke tienden en het recht op een belastingvrije hoeve. In de 12e eeuw werden de rechten beperkt en genoot de kerkheer slechts het benoemingsrecht van de pastoor en kon hij aanspraak maken op (een deel van) de tienden. Paus Alexander III (1159-1181) tenslotte wijzigde het eigenkerkenrecht in patronaatsrecht (ius patronatus): het mogen voordragen van pastoors aan de bisschop (vaak met behoud van het aandeel in de tienden).
Als gevolg van bevolkingsaanwas en de Gregoriaanse Hervormingsbeweging, die wekelijks kerkbezoek propageerde, groeide het aantal nieuwe kerken in de 12e en 13e eeuw explosief. Bij de stichting waren vaak leken betrokken. Plaatsnamen als → Oentsjerk en → Boudewijnskerke werden genoemd naar de eigenaar of stichter van de kerk. Op de Zeeuwse eilanden hangt dit samen met de vorming van nieuwe vierschaarambachten, die volgens gewoonterecht een parochiekerk vereisten voor de rechtsafkondigingen. Het opeisen van het patronaatsrecht door de ambachtsheren leidde tot diverse conflicten met de moederkerken van de parochies4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 356, 2Idem 58, 3Idem 168, 4Dekker 1971 364-381.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kerk (Grieks kuri(a)kon)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kerk, van ’t Gr. kuriakon = huis des Heeren (kurios = heer). – Kerspel staat voor kerkspel, waarvan ’t laatste lid nog niet duidelijk verklaard is. Uit de aanvullingen Het tweede lid spel (kerk-spel; ding-spel, bijv.: Rolder Dingspil) brengt men in verband met een oud werkw., dat zeggen bet. (vgl. ons voorspellen); het woord spel zou dan het gebied aanduiden, waarin de kerk, het gericht te zeggen, te gebieden had. – Kermis is eveneens een verkorting van kerkmis; ’t bet. de jaarmis, het jaarfeest van den beschermheilige der kerk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kerk ‘bedehuis’ -> Fins kirkko ‘bedehuis’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho kereke ‘bedehuis’ ; Tswana kereke ‘bedehuis’ ; Zuid-Sotho kereke ‘bedehuis’ ; Amerikaans-Engels dialect † kerk ‘bedehuis’; Negerhollands kerk, kerǝk, kirk ‘bedehuis’; Berbice-Nederlands kirki, kerki ‘bedehuis’; Papiaments kèrki ‘bedehuis’; Sranantongo kerki ‘bedehuis’; Saramakkaans kéíki ‘bedehuis’ ; Arowaks kerki ‘bedehuis’; Karaïbisch keleke ‘bedehuis’ ; Sarnami kerki ‘bedehuis’; Surinaams-Javaans kèrki ‘kerk, moskee, tempel’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kerek ‘bedehuis’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kerk bedehuis 0777 [Claes] <Grieks

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2694. (Aanv.) Er zijn meer huizen dan kerken,

d.w.z. er is keus genoeg, Men moet zich niet laten ontmoedigen al slaagt men niet aanstonds met een vrijer, een dienst, een dienstbode een huis, enz. Zie Ndl. Wdb. VII, 2260; Harreb. I, 339. De uitdr. komt voor in Kl. Jans Konkelp. 47: Dan (een vrijer tot een meisje) wilt gij niet, 't is wel. Ik zal eens onderzoeken! ... Daer zijn meer huys als kerken. Ook in Zuid-Nederland bekend. In 't fri. der binne mear frouljue as tsjerken.

1128. De kerk in 't midden (van het dorp) laten (of houden),

d.w.z. de zaak laten waar ze behoort, haar niet overdrijven, het niet al te dol aanleggen; ook een geschil zoo bijleggen, dat beide partijen tevreden zijn. Vgl. Harreb. I, 150: Laat de kerk in 't midden van het dorp staan; Het Volk, 1 Febr. 1913, bl. 2 p. 7: Wat meer voorzichtigheid in het voorspellen ten opzichte van de thuiswedstrijden is daarom aangeraden en we durven daarom nòch een Dordtsche nòch een Amsterdamsche overwinning te voorspellen, doch zullen de kerk in het midden laten en vermoeden dat het evenals bij Sparta een 1-1 wordt; De Ploeg V, 1 April, binnenzijde omslag: Dies zullen we, als tot nu, de kerk maar in het midden houden; W. Pik, Nieuwe Lectuur IIP. Noordhoff, Groningen, 1912., bl. 192: Zij zou om de oude schuld gaan manen en ik vrees dat ze zich niet met een praatje zou laten afschepen. Daar is ze koopvrouw voor en houdt ze de kerk in 't midden van het dorp; F. Verschoren, Langs kleine wegen, bl. 126: Zorgen dat de kerk in 't midden van de parochie blijft staan; fri. tsjerke en toer (toren) moatte midden yn 't doarp bliuwe, men moet aller belangen zooveel mogelijk behartigen, eene zaak niet overdrijven; Boekenoogen, 812: recht is recht en de kerk in 't midden; Antw. Idiot. 639: de kerk in 't midden (van 't dorp) laten, het verschil in tweeën doen, een geding zoo scheiden en deelen, dat men van weerskanten tevreden zij; Claes, 105: Zorge dat de kerk in 't dorp blijft, zijne eigen of ook andermans belangen behertigen, niet verwaarloozen; Teirl. II, 125; Rutten, 110; Waasch Idiot. 186: Ge moet zien dat de kerk in 't dorp of in 't midden blijft staan, ge moet alles goed schikken, zoo schikken dat alles redelijk zij en blijve; hd. die Kirche muss (mitten) im Dorfe bleiben, warnung vor Ueberstürzung (Wander II, 1338); Lass die Kirche im Dorfe, kehre die Dinge nicht um; man muss es beim Alten lassen, an eingeführten Gebräuchen nicht änderen (II, 1342In 't fr. beteekent il faut mettre le clocher au milieu du village, mettre à portée se qui seit à tous.); syn. is het kerkje bij 't schuurtje laten staan, de feiten mededeelen, zooals ze zijn; het huisje bij 't schuurtje laten; het kastje bij 't muurtje laten blijven, in den zin van ‘het niet te dol aanleggen’.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VII, 2260.

1222. De kogel is door de kerk,

d.w.z. na lang aarzelen is er een besluit genomen, zoodat er niets meer aan te veranderen valt; de teerling is geworpen. Sedert de 18de eeuw was deze zegswijze bekend, blijkens Tuinman I, 31, die haar verklaart als: ‘daar word niets meer ontzien. De reden van dit spreekwoord kan zyn, om dat men by 't Pausdom zonderlinge eerbied heeft voor de kerkgebouwen, en gelooft dat de Heiligen, waar aan die zyn toegewyd, en welker overblijfzels men daar in bewaart, zeer worden beledigt en vergramt, wanneer men die beschadigt. Hierom plegen de kerken in belegeringen en verwoestingen verschoont te worden. Is dan de kerk zelf aangetast en doorschoten, 't is een blyk, dat men door geen ontzag wordt afgeschrikt, en nu alles durft ondernemen. Die het heilige niet spaart, en de vreeze daar voor afgelegt heeft, zal dan het ongewyde nog minder verschoonen. Dit wordt toegepast op zulke, die door eenige stoute daad zich ontdekt, en het wederhoudend ontzag afgeworpen hebben, om dus voort te gaan.’ Zie verder V. Janus II, 22; III, 88; Uit één pen, 119: Verschillende malen reeds had Krent op het punt gestaan om den kogel door de kerk te schieten en ronduit om Juffrouw Pothof's hand te vragen; Kmz. 336; Dsch. 192; Archief IV, 40; Noord en Zuid XXVII, 120; De Cock1, 28 en vgl. het Friesch de koegel is troch 'e tsjerke. De door Tuinman gegeven verklaring is zonder nader bewijs niet aan te nemen. Waarschijnlijk staat de kerk er alleen voor de alliteratie. Zie Verdam, Uit de Gesch. der Ndl. Taal3, 171-172 en vgl. de fr. uitdr. le coup est parti.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut