Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kerfstok - (stok waarop met insnijdingen iemands schulden werden aangetekend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kerfstok zn. ‘stok waarop met insnijdingen iemands schulden werden aangetekend’
Mnl. kerfstoc [1240; Bern.].
Samenstelling uit de stam van → kerven en het zn.stok 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kerfstok* [stokje waarop door kerven wordt aangegeven wat iem. verbruikt (en dus: hoeveel schulden hij heeft)] {kerfstoc 1201-1250} middelnederduits kervestock, van kerf of kerven + stok.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kerfstok znw. Sedert het later-Mnl., den Teuth. en het laat-Mnd. Laat-mhd. wel al kërbholz o. Het eerste lid is de stam van kerven.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kerfstok, ook in ’t mnl., stok, waarop men door insnijdingen aanteekende, hoeveel iemand schuldig was; ook wel twee houten, waarop gelijktijdig de kerven werden aangebracht, en waarvan schuldeischer en schuldenaar er elk een bewaarde. Veel op zijn kerfstok hebben.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kerfstok* stokje waarop door kerven wordt aangegeven wat iem. verbruikt (en dus: hoeveel schulden hij heeft) 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1127. Hij heeft veel op zijn kerfstok,

d.w.z. hij heeft veel misdreven; hd. er hat viel auf dem Kerbholz; fri. hy het gâns op syn kerfstok; Afrik. hy het al baie op sy kerfstok. Onder een kerfstok verstond men vroeger een stok of hout, waarin kerven of insnijdingen werden aangebracht; bepaaldelijk een stok, die het ‘rekenboec’ (het afrekeningsboek, het boekje) vervangt bij personen, die niet schrijven kunnen; de betaling werd door een kerf of insnijding aangeduid, terwijl schuldeischer en schuldenaar elk een stok hadden, die te gelijk gekerfd werden en waarvan dus de insnijdingen nauwkeurig met elkander moesten overeenkomen, zoodat vervalsching onmogelijk was. Veel op zijn kerfstok hebben wil derhalve eig. zeggen veel schulden hebben, diep in de schulden zitten, doch wordt tegenwoordig alleen van zedelijke schulden gezegd; vgl. ook den kerfstok vol hebben in den zin van zooveel op zijn geweten hebben, dat er niet meer bij kan (zie ook Villiers, 61) en hoog op stok (= kerfstok) loopen, duur wordenHarreb II, 308 a; Paffenr. 102.; 17de eeuw en thans nog dial. zijn kerfstok is van ijzer, hij kan geen kwaad doen, hem wordt alles vergeven (Boekenoogen, 412). Zie het Mnl. Wdb. III, 1345; Tuinman I, 137; Schuerm. 234 a; Afrik. dit gaan bo sy kerf, dat gaat hem te ver naar zijn zin, en vgl. no. 972. In Zuid-Nederland zegt men op 'nen nieuwen kerf beginnen, de oude schuld betalen en weer eene nieuwe maken (Waasch Idiot. 336 a; Teirl. II, 125); veel op zijn kerf hebben; zie Antw. Idiot. 1805; De Bo, 511, waar uit Poirters wordt aangehaald:

En soo ick 't u eens seggen derf,
Daer staet al veel op uwen kerf.

Zie nog Volkskunde X, 26; De Cock1, 44; Wander II, 1243-1244; vgl. het Friesche breaprikke en breastok (kerfstok van den bakker).

Syn. van kerfstok is lat; vgl. Boekenoogen, 560; Ze haalt alles op de lat; Köster Henke, 38: lat, kerfstok. Me olmse (vader) had daar aardig op de lat (op de pof, op crediet) gedronken; een lange lat, veel schuldNdl. Wdb. VIII, 1040.; Amst. 99: Op de lat drinken (syn. van op lef drinken); Slop, 15: Op de lat drinken heeft z'n tegen, is ook niet dàt!; bl. 37: De kastelein dacht er aan dat de kermis slecht ging en er van Pier breed op de lat stond; P.K. 150: Er is geen cent meer in huis, en 'k heb overal op de lat gehaald; Amst. 172: 'k Zal zien dat ik voor de kinderen wat melk en brood op de lat krijg; Jord. II, 330: Vader Tram! ..... schreeuwde Piet naar 't buffet..... geen druppel op de lat!; zie ook bl. 355 en 362; in Twente: wat an de latte hebben.

Ook foelie heeft de beteekenis van kerfstok (eig. blad uit een koopmansboek); Köster Henke, 17: foelie, kerfstok: Je hebt veel op je foelie; Zandstr. 58: Omdat hij al zooveel op zijn foelie had; Dievenp. 98: 't Is 'n schandaal! vloekt ie, om me als 'n boef op te knappen, als ik niks op m'n foelie heb; ook foelielat (zie Peet, 406). Eveneens is dial. bekend iets op den reutel halen (vgl. Menschenw. bl. 99; 210; 513Vgl. De Vries, 92: Reutel, been uit een varkenspoot, waarin een paar gaatjes zijn geboord. Door deze gaatjes wordt een touw gestoken en nu kunnen de kinderen er een snorrend geluid mee maken. Of dit hetzelfde woord is?); Jord. II, 368: Riek, die beweerde dat ze alles op den reutel kon krijgen wat ze hebben wou; Menschenw. 538: Hij zoop op den reutel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut